5.18 - Australië | Giralia Homestead - Tom Price (439 km)

Vliegen blijven ongelooflijk irritant. Het feit dat er altijd zoemende insecten rond je hoofd zwermen went wel, maar de wijze waarop die kleine vliegen je het leven zo zuur mogelijk proberen te maken, went echt niet. Hoe warmer en droger het ergens is, hoe meer er van zijn. Altijd kruipen ze achter je bril, blijven net zo lang rond je hoofd zoemen tot je er gek van wordt. Ze kruipen met z’n zessen tegelijk in je oren en je neus en dan vooral als je probeert te schrijven of ergens een foto van probeert te maken. Alleen al vanwege de vliegen zou je hier niet moeten willen wonen. Het zou echt heerlijk zijn om keer helemaal vliegloos te zijn, want dat gezoem en die kriebelende pootjes maken je af en toe helemaal gek. Ze zijn alleen maar geïnteresseerd in je gezicht en niet in het eten, je voeten of andere lichaamsdelen. De vliegen hebben inmiddels gewonnen. We hebben ons vliegennet maar opgezet.

We vertrekken weer vroeg van Giralia Station. Al snel komen we op de North-West Coastel Highway terecht. We rijden momenteel op 150 kilometer van de kust, maar nog steeds wordt de weg de Coastal Highway genoemd. Dit is vergelijkbaar met een weg die langs Deventer loopt en die de Noordzee route noemen. Het landschap is inmiddels verandert. Het lijkt er op alsof dit gebied niet wordt begraasd, wat alleen niet lijkt te kloppen doordat we twee enorm grote, maar dode koeien langs de weg zien liggen. Deze beesten zijn overduidelijk aangereden door een road-train, waarvan je toch moet denken dat zo’n enorme vrachtwagen daar last van moet hebben gehad. Het eerste stuk rijden we door en over, haaks op de weg staande heuvels. Het zijn rode zandduinen die (tijdelijk) zijn gestopt met door het land ‘wandelen’. Ze lange rode duinen zijn begroeid met bollen (Floor kan er geen betere benaming voor vinden, want ze is verdiept in een boek) spinifex. De heuvels, duinen dus eigenlijk, hebben dezelfde richting en lengte en liggen op ongeveer gelijke afstand van elkaar. Dit fenomeen wordt veroorzaakt door de bijna constante windrichting. We kruisen een aantal kreken, waar zoals gewoonlijk geen water in staat. We raken dus wel van slag als we de Ashburton River oversteken, waar wel veel water in staat en dat zelfs stroomt. De laatste keer dat we een rivier met water gevuld hebben gezien moet in Perth geweest zijn. We rijden langs het Nanutarra Roadhouse, waarvan we te horen hebben gekregen er niet te stoppen, omdat de eigenaar een oplichter is. De locals schijnen het Roadhouse ook te mijden, omdat de eigenaar het zelfs presteert om tijdens rampen (cyclonen), water voor woekerprijzen te verkopen.

We slaan af in de richting van Paraburdoo en Tom Price. Wat volgt is de mooiste weg die we tot dusver hebben gereden. Om de een of andere domme reden delen we de reis naar Tom Price niet in twee delen, waardoor we de afstand van 440 kilometer in een dag overbruggen. Dit is veel te veel voor een dag. We willen niet nog een keer zo’n afstand afleggen op een dag, want we missen daardoor erg veel moois. We hebben geen haast, dus waarom zouden we zo veel kilometer op een dag maken, wanneer we in een zo mooi gebied zijn. We zijn in de Pilbarra. Sinds Giralia is het landschap dramatisch verandert. Er is veel reliëf en het land staat vol met paarse en gele bloemen. Het landschap is enorm kleurrijk. Er staan dan wel geen bomen, het groen bestaat uit miljoenen schakeringen op en tussen een volledig diep paars-rode ondergrond. Het land wordt ruiger en we rijden door een soort van heuveldalen, terwijl we worden omringd door rode en paarse rotswanden. We zien een grijszwarte wilde kat de weg oversteken en ook zien we een gelige hond. Wat doet een hond hier alleen in de bush? Het is een dingo die behoedzaam langs de weg ziet te klooien. Er ligt namelijk een kadaver van een vers aangereden kangaroe, waarop ook al een enorme adelaar is neergestreken. We passeren droge en met water gevulde kreken. Het is hier opvallend vochtiger dan waar we vandaag zijn gekomen. Via het mijnstadje Paraburdoo komen we uiteindelijk aan in Tom Price aan de voet van de Karijini. We hebben genoeg van het rijden. Het ziet er hier wel erg gaaf uit. Tom Price is een mijnstadje maar dan wel met een prettige uitstraling. De wegen en een spoorlijn kronkelen zich er tussen de rode bergen door. We bevinden ons nog steeds in de woestijn, maar Tom Price is als een oase zo groen. Het is een van de mijnbouwcentra in de Pilbarra en op een hoogte van 747 meter is het hoogstgelegen plaats in Western-Australia. Het wordt omringd door fantastische bergen waarvan de hoogste de naam Mt. Nameless draagt. Deze naam vinden de Aboriginals compleet belachelijk, omdat voor hen de berg al duizenden jaren de naam Jarndrunmunhna draagt

Het kost ons wat moeite om te kunnen genieten van de plek waar we zijn, omdat we vandaag veel te lang hebben gereden. De camping kost ons $ 20, maar daarvoor hebben we wel een knettervet uitzicht op de roodpaarse rotswanden van Mt. Nameless. De grond van de camping bestaat uit massief ijzererts, waardoor we ons helemaal het ongans slaan met de hamer om de dikke stalen pennen de ijzerklomp te rammen. De tent begint langzaam aan het leven te laten, want er is weer een nieuwe scheur ontstaan, maar gelukkig is er ducttape. Vanwege de schoolvakanties is het vrij druk op de camping, maar met onze plek aan de bosrand moeten we niet klagen. Voor een commerciële camping is het uitzicht een keer fantastisch. Het kan wedijveren met de campings Wilpena Pound en Venus Bay. Het is hier alleen afschuwelijk koud. De ijskoude wind maakt de gevoelstemperatuur nog lager. Als Australië een warm continent is, dan merken wij daar helemaal niets van. Iedereen loopt rond in dikke truien, jassen en mutsen. Gelukkig is er een overvolle maar wel gezellige keuken zonder muren, waar we nog enigszins beschut kunnen zitten. Er wordt gekookt, afgewassen, gegeten en gedronken in verschillende volgordes.
Ga naar boven