3.06 - Mongolië | Khovsgol Nuur

Terwijl Björn en Jeroen zich afvragen waar die heipaal in hun hoofd vandaan komt, komt de gids met de paarden voorgereden; te paard welteverstaan. De paarden zijn vanochtend uit de bergen gehaald, waar ze een half wilde kudde hebben rondlopen. Ze zijn van een beduidend kleiner type dan dat we in Nederland kennen, waardoor we er wat suffig uitzien als we de paarden hebben bestegen. Een kort practicum in linksaf, rechtsaf, remmen en starten (tsjuu, tsjuu) en dan gaan we op pad. Het tempo ligt laag, want luisteren doen de paarden niet en zin hebben ze al hemaal niet. Het paard van Floor moet zelfs worden voortgetrokken door de gids.

Na een kleine twee uur zien we Kvosgol Nuur schitteren in het brede dal. Het water is azuurblauw en zo helder en vlak als een spiegel. Het meer is onderdeel van dezelfde breukzone als Baikal, heeft een gemiddelde diepte van 264 meter en bevat 2 procent van werelds zoetwatervoorraad.
Omdat het water zo schoon is, kan het direct uit het meer worden gedronken. In het winter is het meer volledig dichtgevroren. Het 120 centimeter dikke ijs vormt dan de tijdelijke hoofdweg tussen Mongolië en Rusland.

We maken ons kamp op de oostelijke oever van het meer. Het water is te koud om uitgebreid te zwemmen, maar een snelle wasbeurt is na uren te paard geen overbodige luxe. Een kampvuur is noodzakelijk, want met het ondergaan van de zon, verdwijnt ook alle warmte. In het wateroppervlak wordt de pastelkleurige schemering weerspiegelt. Langzaam wordt het donker en gaat de hemel over naar een inktzwart plateau, waarin miljoenen sterren staan te schitteren. De weerspiegeling van het wateroppervlak maakt het onmogelijk te bepalen waar de lucht eindigt en het water begint.
IMG_0749 IMG_0777
Kvosgol Nuur schittert ons tegemoet  Het water van het meer is zo helder en vlak als een spiegel
De nacht is zo koud, dat er van een comfortabele nachtrust geen sprake is. Onze Mongoolse gidsen, die overigens gewoon buiten bleven slapen zonder slaapzak, lijken daar in het geheel geen last van te hebben gehad. De lange wollen traditionele jas (een del) die zij dragen is duidelijk van betere kwaliteit dat onze dure slaapzakken. Volgens hen was het ook helemaal niet koud. Als je gewend bent aan temperaturen tot veertig graden onder nul, heb je natuurlijk ook wel een ander referentiekader. Fysiek is de tweede dag op het paard een marteling. Door de benen en billen gaan een vreemd soort stekende pijnen. Leuk vinden we het eigenlijk niet meer. Net als we besluiten dat het voor alle partijen beter is om te stoppen, komen we aan op onze bestemming. Bovenop een heuvel, uitkijkend over het uitgestrekte water van het meer, maken we ons kamp. Het gezellige geknabbel van de reeën naast onze tent, is het enige geluid dat we ’s nachts horen. De stilte is verder volmaakt.

Last modified on woensdag, 20 mei 2015 12:14

Ga naar boven