BestemmingOnbekend

BestemmingOnbekend
Omdat we door onze voedselvoorraad heen zijn, gaan we weer op pad. Het is tijd om naar Port Hedland te gaan dat 77 km verderop ligt. Iets ten zuiden van Port Hedland komen de twee belangrijkste wegen van West Australië samen (The Great Northern Highway en Highway 1), om als Highway 1 de circel rond Australie te voltooien. Vanaf hier is het dus ´druk' op de weg. Het verkeer bestaat voornamelijk uit caravans met hun bejaarde lading en grote vrachtwagens, oftewel de roadtrains met drie of vier bakken. Port Hedland heeft niet de ambitie meer te zijn dan een rooduitgeslagen industriestad. Voor de bezoeker zijn er een aantal dingen te doen: de grootste schepen en de langste treinen ter wereld kunnen hier van dichtbij worden bekeken. Verder kun je in Port Hedland naar de winkel om de voedselvoorraad weer aan te vullen voor de volgende etappe. Op de camping heb je dan de mogelijkheid om alles weer te organiseren en schoon te maken. De volgende dag kun je dan snel weer weg. In Port Hedland wonen twee soorten mensen. De eerste soort is hier om geld te verdienen. Heel veel geld te verdienen. Het is geen uitzondering dat je $ 4.000 per week met een baan als schoonmaker of metselaar verdient. De andere soort is zo'n ongelooflijke mislukkeling, dat deze Port Hedland heeft uitgekozen onze zinloze leven nog veel verschrikkelijker te maken. Het onderscheid tussen wit en bruin is daarbij zeer opvallend. De witen verdienen geld en de bruinen zijn voor hun leven mislukt en zetten het dus op een drinken.

Wij rijden eerst naar de havenfaciliteiten vond port Hedland. Deze zijn het eigendom van BHP Billiton. Hier worden gigantische schepen met een lengte tot 320 meter en een laadvermogen tot 220.000 ton volgeladen met ijzererts uit de Pilbara. Met vier tegelijk worden de schepen volgeladen. Getrokken en geduwd door vier sleepboten, varen deze monsters van schepen op enkele meters langs ons heen. Wat in Rotterdam nooit lukt, krijg je in Port Hedland wel voor elkaar. We rijden langs de Holden garage, waar we de stuurbekrachtigingvloeistof laten bijvullen. Hier hoeven we niet voor te betalen. Ons wordt verteld dat de bandenspanning met 30 psi echt te laag is. Dit moet 34 zijn.
Verder blijkt dat de vreemde slijtage aan de rechter voorband door een fabricage fout komt. Het is binnenkort tijd voor nieuwe banden. Na dit intermezzo gaan we door naar de spoorbrug, waar we zicht hebben op de aan en afrijdende Road trains en de extreem witte zoutberg van Dampier Salt. Hier is Cargill bezig met de winning van miljoenen kilo's zout, dat gewonnen wordt uit zeewater. Als dit zo makkelijk is en waarschijnlijk ook goedkoop, wat is dan het probleem met het winnen van drinkwater uit zeewater? We zijn hier echter niet naar toe gekomen om naar deze zoutberg te kijken. We staan hier op de spoorbrug om de af en aan rijdende ertstreinen uit Newman te bekijken. Het zijn de langste treinen ter wereld en we hebben het geluk zowel een lege als een volle langste zien komen.

Dan is het tijd om wat zaakjes te regelen. We rijden naar het iets zuidelijker gelegen South Hedland, waar de wat prettigere Port Hedlanders wonen. Port Hedland zelf is veel te stoffig om als niet Aboriginal te kunnen wonen. We gaan naar het winkelcentrum voor een grote hoeveelheid boodschappen. We hebben gehoord dat Broome erg duur is. Als een besparing mogelijk is, dan pakken we die natuurlijk. Met onze kortingsbon tanken we bij de BP. We hadden beter eerst na kunnen denken, want we tanken per ongeluk de duurste benzine van Port Hedland. Per liter betalen we $ 1,59. Dan gaan we naar de bibliotheek, waar we anderhalf uur kunnen internetten voor $ 2,75. Hiervoor hebben we de boel wel een beetje moeten oplichten, want eigenlijk kost het $ 2,75 per kwartier. Het resultaat is een nieuw verslag op de site. We zijn voortvarend bezig. Ik hoef alleen nog maar naar de kapper en dan hebben we alles gedaan wat we hebben willen doen. Omdat de kapper $ 22 kost, besluit ik nog even te wachten. We staan op de goedkoopste camping in town. Een nacht kost hier $ 16. Het valt inmiddels erg op dat onze auto meer rood dan blauw is. In Port Hedland is het bewolkt en ook is het behoorlijk vochtig. Op deze camping blijven reizigers maar één nacht staan. Alleen de mensen die hier zijn om kapitalen verdienen, hebben van deze camping hun tijdelijke huis gemaakt.  

5.30 - Australië | Indee Station

Samen met kamperen in de nationale parken, behoort een verblijf op een station tot de hoogtepunten van Australië. Op Indee Station zijn we duidelijk in een andere klimaatzone aangekomen. Het is hier een stuk warmer dan in de Karijini. Ook 's nachts wordt het hier niet koud. Met een beetje geluk hebben we onze dikke fleecetruien voorlopig niet meer nodig en hoeven we niet meer met al onze kleren aan te slapen. Vandaag meten we 31° in de schaduw, wat de normale wintertemperatuur blijkt te zijn. Niet zo raar als we bedenken dat we hemelsbreed zo'n 50 km van de heetste plaats van Australië zijn: Marble Bar.

Deze station is groot. Het totale gebied beslaat 100 x 60 kilometer. Ergens in dit uitgestrekte gebied zou een miniatuur uitvoering van Uluru moeten liggen; minimaal zo rood en helemaal volgekliederd met Aboriginals kunst. De track er naar toe zouden we met onze auto moeten kunnen berijden. Wel oppassen voor de diepe zandbakken. Het bushland is saai en eentonig. De track wordt ruiger en te smal voor onze auto. Daarom laten we de auto achter en lopen de laatste kilometers. Waarschijnlijk zijn we naast de Aboriginals de enigen die hier ooit lopen. Ook wel te begrijpen, want in de zomer is het hier met 50° nogal heet. De wandeling kan niet inspirerend worden genoemd en ook is het pad langer dan een paar kilometer. Langs het pad staat een monument ter herdenking aan een in de jaren zestig neergestort vliegtuig. Niet meer de originele plaats, want die is beschikbaar gesteld voor mijnbouw. Prioriteiten stellen is belangrijk.  

Inderdaad ligt er een rode rots als een miniatuur uitvoering van Uluru op ons te wachten in het verder vlakke landschap. De rots lijkt te zijn opgebouwd uit allemaal dunne platen, die een krakend geluid maken als we er op lopen.
De rode kleur verraadt dat er veel ijzer in moet zitten. Van boven tot onder valler er Aboriginals tekeningen te ontdekken: voeten, handen, pijlen, insecten, andere beesten en diverse vormen. Het is goed mogelijk dat deze inscripties tot 30.000 jaar oud zijn. De grote vraag is natuurlijk wat de betekenis van al deze tekeningen is. Misschien kijken we naar de oefenruimte van de Aboriginal kunstacademie. Gelukkig is deze locatie niet door vandalen bezoedeld. Inmiddels begrijpen we heel goed waarom de Aboriginals de locaties van hun historische locaties zo graag geheim willen houden.

Aangezien we flink doorlopen concluderen we dat we vandaag in totaal 14 km hebben gelopen in de woestijnhitte. Op een station als dit is dat nog wel verantwoord. Daarbuiten zou je dat niet zo maar moeten doen. Nu al waren de mensen van de station echter ongerust over onze lange afwezigheid. Goed om te weten dat ze ons zouden zijn gaan zoeken als we niet voor de avond zouden zijn terug gekomen. Het is hier sowieso erg relaxed. Er is ook een goede wasmachine die kosteloos is te gebruiken. Aangezien alles wel een wasbeurt kan gebruiken, hebben we vijf wassen nodig om alles weer spik-en-span te krijgen. In tegenstelling tot andere wasmachines in Australië, duurt elke was anderhalf uur en is het resultaat een schone was. Dit is iets bijzonders want van schoon wassende machines hebben ze in Australië nog nooit gehoord. Er is een echtpaar van wie we de laptop mogen gebruiken om onze foto’s te branden op een CD. We moeten profiteren van de weinige computers die we tegenkomen. Voor de tweede achtereenvolgende avond horen we het geluid van een uil. Het geluid als van een koekoek. Deze uil schijnt er uit te zien als een soort tak.  
Slapen in de auto is ontzettend aangenaam. ‘s Nachts kijk je door de ramen naar de nachtelijke sterrenhemel. Wakker word je met het eerste ochtendlicht. Vanuit de auto zien we de wereld langzaam kleur krijgen. De zon komt iedere dag mooi op, maar er zijn nooit wolken om het nog mooier te maken. Wolken zijn hier sowieso een zeldzaam verschijnsel. Langzaam zien we de rotswand oranje worden aangelicht. In de ochtend en tegen de avond, wordt de kleur van het steen diep donkerrood. Bijna tegen paarsbruin aan. De vogels kwetteren en kwetteren nog wat meer. De wilde bloemen in het veld maken de wereld nog mooier dan die al was. Als de berg waar we op uit kijken voldoende rood is aangelicht, staan we op om een kopje koffie te zetten. Het is gelukkig niet meer zo koud als de afgelopen periode. Wel hebben we ‘s ochtends nog twee dikke truien nodig. We lijken langzaam maar zeker noordelijk genoeg te komen om de Australische winter achter ons te laten. Overdag hebben we weer genoeg aan alleen een T-shirt.

Het ontbijt bestaat uit gebakken eieren met koffie en thee. Het inruimen van de auto is zo gebeurd, want we zijn inmiddels erg handig in het organiseren. Alles heeft een vaste plek, waardoor alles perfect past en ook nog eens makkelijk is te vinden. Wie niet veel heeft, hoeft ook niet veel te zoeken. Klaar om te vertrekken, maar niet voordat we de kloof verkennen die direct in het verlengde van de rest area begint. We klauteren over stenen en boomstronken en zien een kleine uil. Slangen laten zich echter nog steeds niet zien. Het wordt echt wel eens tijd voor onze eerste levende slang. De kloof is minder diep dan we dachten, dus de ochtendwandeling is maar een korte. Doordat we elke dag actief bezig zijn, voelen we ons erg gezond. We vragen ons af hoe het straks in Nederland moet. Als we hier worden ingehaald door een andere auto, worden we al misselijk van de uitlaatgassen. In Nederland zouden we dat niet eens ruiken.  

Vandaag rijden we 289 km. We zijn op weg naar Indee Station. Daarvan hebben gehoord dat een goede stop is. En aangezien de overnachtingen op stations tot dusver tot de beste ervaringen van Australië behoren, maken we hier ook graag een stop voordat we doorrijden naar Port Hedland. De route gaat recht door en over de Hamersley ranges, de Engelse benaming van de Karijini. We vinden de Aboriginal namen wel een stuk mooier en intelligenter klinken dan de Engelse namen. De huidige Engelse namen zijn eigenlijk erg simplistisch en egoïstisch: ik zie een berg dus ik vernoem deze naar mijzelf. Zonder daarbij enige waarde te hechten aan de naam die de Aboriginals er al tienduizenden jaren aan hebben gegeven. Een naam die ook veel meer landschappelijke beschrijving inhoudt.
De Great Northern Highway slingert zich door een paar kloven, waarna we van ruim 700 meter, langzaam maar zeker afdalen naar zeeniveau. Het landschap en de vegetatie beginnen te veranderen. We laten de rode heuvels en bergen van de Karijini achter ons. We zijn weer in ‘Station land’. Dit land wordt intensief begraasd, waardoor de vegetatie minder rijk en divers is. We rijden door een landschap dat is bezaaid met halfronde en ovaalvormige bollen, waarvan het er naar uit ziet dat ze veel ijzer bevatten.

Vanaf de Great Northern Highway draaien we de 9 km lange onverharde oprijlaan van Indee Station op. Daar melden we ons bij de familie, van wie we te horen krijgen dat we maar moeten doen waar we zin in hebben. Per dag moeten we 12 dollar betalen, maar dat hoeven we pas af te rekenen bij vertrek. Omdat er in het uitgestrekte gebied 1.000 runderen rondlopen, kiezen we voor een plek tussen de hekken waar we vrij zijn van koeien. Niet dat we bang zijn voor koeien, maar wel voor het effect van een koe van een paar honderd kilo die per ongeluk over onze scheerlijnen struikelt. Het zou niet het eerste dier zijn dat de scheerlijnen niet ziet. Onze tent zetten we op onder een grote boom. Schaduw, dat is wat we nodig hebben in dit warme klimaat. We kamperen midden tussen de felgekleurde Sturt’s Desert Pea (Swainsona formosa), die bekendstaat om zijn opvallende bloedrode, bladachtige bloemen, die elk een bolvormig, zwart centrum of knobbel hebben. Het is een van de bekendste wilde planten van Australië. De plant komt van nature voor in de droge gebieden van centraal en noordwestelijk Australië.

Vanaf 15.30 uur kan er worden gedoucht met warm water. Dan staan de vuren aan onder de waterketels. Een fantastisch systeem. Douchen is een belevenis, want de douches zijn van hout en golfplaat. De combinatie van het hout en de geur van brandend hout, doet ons denken aan Rusland en Slowakije. Dit is echt geweldig. Opgefrist gaan we naar de 'happy-hour' die door de eigenaar wordt georganiseerd. De Engelse taal heeft geen goede term voor 'een borrel'. Er staan lekkere hapjes op tafel en met de leuke en interessante mensen (alleen maar Australiërs) worden sterke verhalen uitgewisseld. 's Avonds maken we ons eten klaar in de grote keuken van de station. We hebben een gezellige avond met een gezin waarvan de man Nederlandse ouders heeft. Ook nu worden er natuurlijk sterke verhalen uitgewisseld over hoe 'not-normal' dingen zijn in Australië: vliegen, de maan, sommige dorpen. Het wordt grappig als we herinneringen ophalen over boerenkool met worst, kroketten en mayonaise. We blijven Nederlanders.
Op de weg van Newman, terug naar de kust, stoppen we bij Wanna Muna Aboriginal rockcarvings. De locatie is gemarkeerd met twee witte palen langs de weg. Ons is verteld dat het een 'easy two-wheel-drive' zou moeten zijn. Wij zouden deze weg echter willen scharen onder de categorie 'difficult four-wheel-drive'. De laatste kilometers moeten we dan ook lopen. Het is jammer dat we hier niet met de auto kunnen komen, want we bereiken een geweldig mooie kampeerplek aan de rand van een waterpoel. De omliggende rode rotsen zijn rijkelijk voorzien van Aboriginal tekeningen. helaas zijn ook deze tekeningen het slachtoffer geworden van vandalen. We begrijpen waarom het bezoeken van sites als deze wordt ontmoedigd en waarom ze niet of nauwelijks staan aangegeven. Van de hier aanwezige tekeningen kunnen wij niet zeggen wat origineel is en wat er later door de vele kakkerlakken aan is toegevoegd. Van dokter Phil hadden we gehoord dat er hier een hele mooie afbeelding van een reeds uitgestorven Tasmaanse tijger zichtbaar zou moeten zijn. We maken een foto van de tekening waarvan we denken dat het de Tasmaanse tijger moet voorstellen. We snappen echt niet waarom deze plekken zo gevandaliseerd worden. Vergelijk het eens met een idioot die in Nederland met een zwarte marker, de doeken van Rembrandt of Van Gogh te lijf gaat. De wereld zou te klein zijn.

Met een vieze smaak in de mond lopen we terug naar de auto, waarna we in noordelijke richting rijden naar Mount Robinson rest area. Het is een mooie, gratis kampeerplek langs de Great Northern Highway. We staan tussen de spinifex en de enorme
hoeveelheid wilde bloemen aan de voet van Mount Robinson. Over het met witte bloemen gevulde dal, kijken we uit over het rode, ruige landschap naar een verderop gelegen berg. Over de Great Northern Highway rijden grote aantallen roadtrains, met wel vier aanhangers. Deze 'treinen van de weg' zijn wel 50 meter lang. Ze pendelen tussen de mijnen die niet zijn ontsloten met een spoorlijn en zijn de schakel tussen de reusachtige 'stations' en de bewoonde wereld.

Terwijl de rode zon ondergaat en de hemel 360° om ons heen oranje-roze-paars wordt gekleurd, genieten wij van onze chili-con-carne. Het leven is lang niet slecht in deze lege uitgestrektheid van Western Australia. Samen met een echtpaar uit Tasmanië, delen we het kampvuur. Natuurlijk verloopt het gesprek eerst volgens het vaste patroon: waar kom je vandaan, waar ga je naar toe, wat vind je van Australië, enz. Dit keer komt het gesprek echter ook een stukje verder. We praten over de dieren in Australië en dus ook over de Tasmaanse tijger. Het is ons inmiddels wel bekend dat Australiërs goed zijn in 'bullshitten', maar het verhaal wat we van de man te horen krijgen klinkt wel plausibel. Van beroep is hij altijd visser geweest en daarom was hij regelmatig te vinden in het volstrekt ontoegankelijke zuidwesten van Tasmanië. Daar heeft hij naar eigen zeggen de Tasmaanse tijger, wat een hondachtige is, meer dan eens gezien. Hoe mooi zou het wel niet zijn, wanneer dat waar blijkt te zijn. Dat een reeds uitgestorven beschouwd dier, nog gewoon te vinden is in een gebied dat zo afgelegen en ruig is, dat niemand daar komt.

5.27 - Australië | Newman

Het is wel weer een vermelding waard dat we er een uitermate relaxed tempo op na houden. Ik heb al eerder geschreven over het Engelse stel dat in anderhalve week van Exmouth naar Darwin is gereden. Nu wil het geval dat wij sinds ons vertrek uit Exmouth 11 dagen onderweg zijn, maar nog niet verder zijn gekomen dan Newman. De LP schrijft alleen over Exmouth, Karijini en Broome, waardoor er daartussen geen andere reizigers zijn te vinden. Wij hebben geen haast en rijden straks rustig richting Broome. Daarna langs de Kimberley, om af te zakken naar Alice Springs in het midden van Australië. Daarna gaan we weer naar boven, waar we de laatste weken zullen doorbrengen in Darwin en omgeving. Vanaf Darwin willen we per vliegtuig naar Azië en verder naar Onze plannen veranderen echter met de dag. Dat we nu in Newman zijn, hadden we ook niet eerder kunnen bedenken. Vanaf Exmouth zijn we nu al met onze vierde routevariant bezig.

Newman hebben we om twee reden toegevoegd aan onze itinerary. Niet alleen omdat we het vertrek uit de fantastisch mooie Pilbara willen uitstellen. Ook om de grootste ijzerertsmijn ter wereld te bezoeken. Newman zelf is een prettige plaats, wat vooral komt door de vele bomen die er zijn gepland. De afwezigheid van bomen was echt het grote probleem met de plaatsen in South Australia. Newman is genoemd naar Mount Newman. ‘Ontdekt’ in 1896, maar pas na de ontdekking van een enorme ertsvoorraad (Mount Whaleback) in 1957, wordt er een begin gemaakt met de aanleg van Newman door BHP. Weer wat later wordt Newman voor één dollar verkocht aan de overheid en is Newman een normale plaats met normaal bestuur. Alhoewel BHP wel 60% van de woningen bezit en ook alles sponsort wat er te sponsoren valt. Zoals bijvoorbeeld de bibliotheek, die beschikt over nieuwe computers en een jaloersmakende collectie boeken. Bibliotheken zijn voor ons de plek waar we onze foto’s kunnen uitzoeken en nieuwe verhalen kunnen schrijven op de website. In Newman werk je voor de mijn of voor de overheid. Een andere keuze is er niet. Newman is tegenwoordig ook dat administratieve centrum van de gemeente (Shire) East Pilbara. Deze gemeente is de op 2 na grootste gemeente ter wereld en zelfs groter dan het hele land Noorwegen. De gemeente heeft het gigantische aantal van 12.000 inwoners, waarvan de meeste in Newman wonen.
Wat doe je op een zondag? Juist, dan bezoek je de grootste open ijzerertsmijn ter wereld. Kosten: $ 20 per persoon. Nonchalant gaan we op het punt staan waar we weten dat de bus zal stoppen. Als we een keer meegaan op een toer, willen we ook de beste plaatsen hebben. De rest van de deelnemers beseft nauwelijks waar we naar toe gaan. De gemiddelde leeftijd van onze mede toergroepers ligt tussen de 70 en 80 jaar. De bejaarden maken lelijke foto's van evenzo lelijke en zinloze situaties. Waarom zou je een foto maken van een bord met daarop geschreven 'Visitor Center'? De gids geeft een korte introductie en vraagt of er nog vragen zijn. Hierop reageerd een zinloze oudere met de vraag 'Sorry, what's your name again?' Net zoals in Tom Price gaan we op toer omdat het nou eenmaal de enige mogelijkheid is om de mijn te zien. De mijn is van BHP Billiton. Deze mijnbouwreus is voor de helft Australisch en voor de andere helft Zuid-Afrikaans. Het is het grootste mijnbedrijf ter wereld met activiteiten in 20 landen.

Net als de concurrent Rio Tinto, bezit BHP een groot aantal mijnen in deze regio, een gigantisch eigen spoorwegnet, havenfaciliteiten in Port Hedland, energiecentrales en ga zo maar door. BHP heeft ook grote belangen in de olie-industrie, waardoor de enorme eigen olie consumptie betaalbaar blijft. Japan en China zijn de grootste afnemers. Deze mijn is groot. Reusachtig groot. We kijken in een gat van 2 bij 5 km, met een diepte van bijna 500 m. En dan rekenen we de berg die inmiddels is verdwenen niet bij het gat, wat anders 1.700 meter diep zou zijn. Het gat waar we inkijken was eerst een berg van 800 m hoog. Sinds 1969 is er al meer dan 1 miljard ton ijzererts afgevoerd. Het is de verwachting dat er nog voor 25 jaar ijzererts te winnen is. Zagen we in Tom Price maar een handvol enorme trucks, hier zien we er tientallen rijden. Ze rijden voor en achter ons. Ze halen ons in, terwijl alleen al de wielen hoger zijn dan onze bus. Met tientallen zien we ze rondrijden in het giga-gat, waar op acht verschillende locaties tegelijk wordt gemijnd. Alles van deze mijn gaat je voorstellingsvermogen te boven. Elke truc kost drieënhalf miljoen dollar. De banden zijn 3,6 meter in diameter en wegen 5 ton per stuk. Elke band kost $ 50.000 en gaat 9-12 maanden mee. Eén truck kan 200 ton ijzererts verplaatsen. Alles is hier groter en efficiënter dan in Tom Price. Dit hadden we niet willen missen.
Eerder hadden we van Doctor Phil gehoor dat er in een zijkloof van de Dales Gorge Aboriginal tekeningen te vinden zijn. Dit vinden we wel interessant, aangezien we nog helemaal geen Aboriginal kunst en tekeningen hebben gezien. Daarom lopen we in de vroege ochtend nog even naar beneden. Het wordt echter een teleurstelling, omdat iemand het nodig heeft gevonden om er zijn eigen tekeningen overheen te kalken. Vol trots heeft hij zijn naam en de datum er bij gezet: april 2006. Tot een paar maanden geleden waren deze tekeningen nog aanaangetast. Tot deze kakkerlak een onuitwisbare indruk heeft achtergelaten. Weer is er een stukje erfgoed van de Aboriginals verdwenen.

We rijden de 204 km naar Newman, omdat we daar de grootste ijzerertsmijn ter wereld willen bezoeken. Daarom vinden we het ook niet erg om over de Great Northern Highway, 160 km nar het zuiden te rijden, terwijl we straks diezelfde afstand ook weer terug moeten over dezelfde weg. Geen straf overigens, want het landschap is bijzonder aantrekkelijk. Onderweg moeten we van de weg, omdat ons een ‘oversized transport’ tegemoet komt. Dit wordt aangegeven door een speciale auto die de weg vooruit vrij maakt.
 Dit keer is het maar goed dat we langs de kant van de weg staan, want op de tegemoetkomende gigantische dieplader, wordt een nog veel gigantischer kiepwagen vervoert. We vroegen ons al hoe die enorme trucks in de mijnen terecht komen. Zo dus. In Newman wordt ons verteld dat de tour van morgen vol is, maar dat er op zondag nog wel plek is. Er zit dus niets anders op dan ons op de camping te installeren. Dit kost ons $ 18 per dag. Het lijkt rustig totdat het hele veld volstroomt met kinderen die op kamp zijn. Helaas, daar gaat de rust. De school vakanties zijn afgelopen, dus in plaats van gezinnen krijgen we nu hele scholen met kinderen tegelijk. Maar eerlijk is eerlijk, de autoriteit van de docenten is lovenswaardig. Na 22.00 uur is het muisstil. De nachtelijke stilte wordt alleen verstoord door de roadtrains, waarvan er elk uur wel één langsdendert. Het overgrote deel van de gasten werkt in de mijn en deze houdt er nogal vreemde werktijden op na. Daardoor is het tussen 3.00 en 5.00 uur best wel rumoerig. De mijn hanteert voor de echte mijndiensten twee ploegendiensten. De eerste dienst loopt van 16.00 uur tot 4.00 uur en de tweede van 4.00 uur tot 16.00 uur.
Het hotel is onverwacht rustig, waardoor we heerlijk hebben kunnen slapen. Om 7.30 uur staat het ontbijt klaar, wat we gisteren nog hebben kunnen laten regelen. Vanwege de ellende van de vorige etappe en de grote afstand die we nog moeten afleggen tot aan Odessa, maken we ons wel enige zorgen. We hebben geen idee wat ons vandaag te wachten staat. Gaan we het redden of niet. Veel keuze hebben we niet, want op de kaart ziet het gebied er nou niet bepaald dichtbevolkt uit. We laden onze fietsen vol met water en al het eten dat we kunnen vinden. Het lot blijkt ons positief gestemd: er staat een harde wind uit het noorden, terwijl wij naar het zuiden moeten. Hier moeten we van profiteren. Met 35 kilometer per uur suizen we voor over het gladde asfalt, naar de 15 kilometer verderop gelegen ongelijkvloerse kruising met de snelweg tussen Odessa en Kiev. De eerste die we in de Oekraïne zijn tegengekomen.

Na de kruising is de weg meer gat dan glad. Alle typen wegdek komen nu onder onze banden door: asfalt, gravel, zand, kinderkopjes. We zijn al zo gewend aan gaten in de weg dat we er met relatief hoge snelheid, behendig langs manoeuvreren. Maar als dit de komende 100 kilometer zo doorgaat dan halen we Odessa nooit. Gelukkig wordt het wegdek tussen de gaten beter. Door de hitte heeft het asfalt op sommige plaatsen het effect van kauwgom. Door de zuigende werking, neemt de weerstand toe en moeten we meer kracht gebruiken om vooruit te komen. Na 2 ½ uur hebben we 55 kilometer afgelegd en zijn we al in Ivanivka. We drinken iedere een liter koude kvas, eten wat en gaan weer op weg. Over de 2e helft maken we ons echter de meeste zorgen.

Niet nodig blijkt. Voor het grootste deel is de weg voorzien van nieuw asfalt. We fietsen door een breed dal met een stormachtige wind in de rug, die ons met grote snelheid over de rustige weg helpt glijden. Het land is verandert. De vegetatie doet ons denken aan Zuid-Frankrijk en Kreta. De dorpen zijn totaal anders dan hoe we ze eerder zijn tegengekomen. Bijna elk huis heeft dikke muren, die diepblauw zijn geschilderd. We wanen ons in de mediterrane. Dit gebied behoort tot de mooiste waar we doorheen zijn gekomen. Dat hadden we niet bepaald gedacht. Volgeladen karren met hooi die worden voortgetrokken door sterke knollen, komen ons tegemoet. Tegen de grijs-groen-paarse hellingen grazen de schapen en de koeien. Langs de weg staat regelmatig een geit aan een touw te blèren. Stieren staan de ketting voor het huis waartoe ze behoren. Kippen, kalkoenen en ganzen lopen over de erven en voor de huizen over de weg, waar ze dan weer vanaf worden geveegd met een bezem. 
Langzaam maar zeker wordt het kleinschalige landschap weer grootschaliger. Uitgestrekte graanvelden van horizon tot aan horizon. Dit is het landschap waar de Oekraïense vlag aan is ontleend: gele graanvelden onder een diepblauwe hemel. Vanaf een heuvel op tien kilometer voor Odessa, zien we de stad aan de Zwarte Zee nu duidelijk liggen. Het verkeer neemt toe en wordt asocialer. Nadat we een snelweg zijn overgestoken, waarbij de auto’s wonderbaarlijk genoeg stoppen om ons de ruimte te geven, rijden we over een stoffig en vervallen industrieterrein vol chemische industrie, Odessa binnen. Onze entree tot de stad is een is een zandweg vol kuilen en grote dampende vrachtwagens. We fietsen langs chemische industrie, kilometers pijpen en leidingen en lange treinen met chemische lading. Omdat we het ook niet meer weten, biedt een vrachtwagen ons aan hem te volgen, waardoor we niet verdwalen en weer op een hoofdweg komen.

Via de hoofdweg komen we in het centrum van de stad. Daar stoppen we om te overleggen wat we gaan doen. Daarop worden we in het Nederlands aangesproken door Arthur. Hij is een Nederlandse Armeniër, die hier staat met zijn gloednieuwe Mercedes S-klasse met Engels kenteken. Hij heeft een zware gouden ketting met kruis om zijn nek. Hij spreekt vier talen vloeiend en zit in de import-export (natuurlijk). Hij heeft een paar vrienden bij zich in net zulke dikke auto’s, waarin de mooiste meisjes van Odessa lijken te zitten. Hij vraagt of hij ons misschien kan helpen, want hij heeft toevallig een vriend die appartementen verhuurd in Odessa. Een telefoontje is genoeg om een afspraak te maken. Hij rijdt voorop in zijn dikke Mercedes en wij fietsen er weer achteraan. Omdat we nou eenmaal slecht gelovige Nederlanders zijn, twijfelen we een beetje aan zijn goede bedoelingen. Maar ja, waarom zou iemand de moeite nemen om een paar vieze en stinkende fietsers te beroven als je zelf een auto hebt van bijna een ton?

Er wordt ons een appartement geshowd dat € 80,- per dag kost. Mooi is het zeker, maar wat hebben we aan vier kamers met leren bankstellen en een king-size bed? Wij zaten meer te denken aan een appartement van rond de € 60,-. Dat is ook geen probleem. Hij heeft een appartement met een grote badkamer, slaapkamer en een aparte keuken midden in het centrum van de stad. We hebben het vermoeden dat we een goede deal hebben, omdat er wat verwarring is over de koers die er wordt gehanteerd. Omdat we in hryvnja betalen, kost het appartement ons 480 UAH per dag. Wij rekenen echter met een wisselkoers van 1:9,7 (1 Euro = 9,7 UAH) waardoor we volgens ons maar € 48,- in plaats van € 60,- betalen. Dat is dan weer een mooie meevaller.
Ondanks de belabberde kwaliteit van het hotel, krijgen we een grondige kamerinspectie voordat we mogen vertrekken. Desondanks kan er een lach vanaf als we weer op de fiets stappen. Met een forse tegenwind rijden we over saaie wegen, door een erg saai en rommelig landschap naar Anan’iv. Daar pauzeren we bij een kleine eetgelegenheid, dat wordt gerund door een vrouw in een vormloze blauwe jurk en met gouden tanden en roodgeverfd haar. We eten broodjes gevuld met vlees, dille en kool. Vier oude mannen, ook voorzien van gouden tanden, zijn aan de pivo en de vodka. Er wordt ons in het Duits een gedicht voorgedragen. Bij vertrek volgt een ‘adieu’, ‘gute fahrt und so weiter ja’. Iedere dag weer worden we verrast door allerlei onverwachte gebeurtenissen.

Als we Anan’iv weer verlaten, worden we ‘opgehouden’ door een paar mensen die ons afraden over deze weg verder te rijden. Het wegdek schijnt namelijk erg slecht te zijn. Ze raden ons aan om de snelweg te nemen naar het 44 kilometer verderop gelegen Shyriaieve. Na enige verwarring begrijpen ze dat een snelweg niet de meest aantrekkelijke optie is wanneer je op de fiets bent. Daar komt nog bij dat we inmiddels wel denken te weten wat een slecht wegdek in de Oekraïne inhoudt en dat we dit stukje ook nog wel aankunnen. Met een hoop gedoe, gebaren en geteken, wordt ons uitgelegd hoe we het beste kunnen rijden om er dan maar het beste van te maken. Supervriendelijk natuurlijk, maar blijkbaar hebben ze niet in de gaten dat we twee goede kaarten bij ons hebben.

De route in zuidelijke richting loopt gelukkig weer door een aantrekkelijk landschap. Graanvelden in een glooiend landschap, die dit keer niet aan het zicht worden onttrokken door een onafgebroken groenstrook langs de weg. De eerste 35 kilometer tikken we de kilometers achter elkaar weg. We passeren versleten dorpen waar al jaren niets meer lijkt te gebeuren. Kuddes koeien en schapen lopen door de weiden of over de weg naar weer een nieuwe plek om te grazen. In het open landschap zien we al van verre een onweersstorm naderen. De wind die recht van voor komt, neemt toe in krijgt. Het begint ronduit te stormen. Net voordat het noodweer losbarst vinden we een plek achter een dichte bossage. Vervolgens begint het te hozen. We staan dan wel niet helemaal droog, wel staan we beschut tegen de zware windstoten. De bliksem knettert en de donder roffelt door het open landschap. De storm trekt over, de wind gaat liggen en dan stopt het ook met regenen. De weg met keien en inmiddels grote plassen houdt niet lang stand. De eerder zo mooie zandweg is verandert in een zuigende klomp klei.

Als tsjernosem nat en verzadigd raakt, verandert het in een kleiachtige modder, waarin het water niet wegzakt. Te laat hebben we in de gaten dat hier te maken hebben met serieuze klei. Grote brokken klei rond de remmen, vullen onze spatborden en blokkeren zo beide wielen. Succes! We kunnen niet meer voor- of achteruit. We staan vast in de klei. Met stokjes en met onze handen proberen we zo veel mogelijk de klei te verwijderen. In elk geval zodat we de fiets weer in beweging krijgen. Er zit niets anders op dan de fietsen voort te duwen door de berm. De rand tussen het sompige graanveld en de weg biedt net genoeg stevigheid om de fiets te kunnen dragen. Het nadeel is dat deze smalle rand vol staat met distels, waardoor onze benen veranderen in een bloedende massa en die vervolgens weer zwermen met muggen aantrekken. Helaas is de berm regelmatig onderbroken, waardoor we de glijdende kleibaan moeten oversteken om stabiele grond aan de andere kant te bereiken. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, want dat betekent dat we de fietsen, die elke ruim 25 kilo wegen, moeten optillen om aan de 
overkant te komen. Een aantal keren gaat dat fout, waardoor alles weer onder de klei zit en weer van voor af aan kunnen beginnen. We hebben geen idee hoe lang deze weg nog zo door gaat. We weten wel dat het nog maximaal 12 kilometer is naar Shyriaieve. In de verte zien we een dorpje liggen, waar we ons met moeite naar te slepen. We hopen zo dat daar de verharde weg weer begint. Achter ons komt een Lada door de modder en de klei aangeschoven. Even lijkt het er op dat een Lada inderdaad overal doorheen komt. Maar helaas, ook de Lada rijdt zich muurvast in de klei. Stiekem moeten we daar wel een beetje om grinniken.

In het dorp komen we inderdaad weer op een verharde weg terecht. Wat een opluchting is dat. Deze regenbui is ook wel een ‘freak-accident’ geweest. Al een hele week worden we vergezeld door een strakblauwe lucht. Als we een half uur eerder waren geweest was er geen enkel probleem geweest. Genaaid door het lot. Als een stel moddermannetjes vol bloed en muggenbeten, rijden we Shyriaieve binnen. Horror uit de modder. We zijn zo blij dat we er inderdaad het hotel aantreffen dat op de kaart staat vermeld. Ik trek voor de zekerheid een schoon T-shirt aan om überhaupt toegelaten te worden. Volgens de mannen die buiten zitten te roken is dit een ‘5-star-hotel’. We kunnen dan ook niet wachten tot we gebruik kunnen maken van het sanitair. Maar wat blijkt: dit hotel heeft helemaal geen douche. Sterker nog, er is helemaal geen stromend water. De kamer kost dan ook maar 60 UAH (€ 6,-).

Omdat de mannen die buiten voor het hotel zitten te grappen over onze gortigheid, ook wel begrijpen dat wij een douche wel kunnen gebruiken, ontstaat er een wending van het lot. We mogen douchen bij Vitaliy en Woha. Vader en zoon zijn nogal dronken, maar dat kan ons niet deren, want wij willen douchen. Bij voorbaat voelen we ons schuldig over de grote en schone badkamer met warme douche die volledig gaan bevuilen. Maar natuurlijk bestaat er niet zo iets. We zijn tenslotte in de Oekraïne. De ‘witmarmeren’ douche is niets meer dan een gammele houten hok achter in de tuin, met op het dak een olievat gevuld met koud water. De omgeving wordt gevormd door een afvalberg, waarover de ganzen vrolijk lopen te ganzen. Desondanks is het een luxe. Vrij van modder en zweet kunnen wij de wereld weer aan.

Daarna kunnen we de paar glazen verplichte vodka niet weigeren. We proberen zo goed en zo kwaad als het kan een soort van gesprek te hebben, wat wordt bemoeilijkt doordat vader en zoon zo dronken als een mallemegoot zijn. Als het korte termijn geheugen van hen beiden geheel is uitgevallen, hebben wij de kans om de zuippartij te verlaten om wat te gaan eten. In het hotel blijkt een Oekraïner te zijn, die best een aardig woordje Engels spreekt. Via hem bestellen we een voedzame maaltijd in het café van het hotel, dat tevens het magazin en het restaurant is. Direct na de maaltijd is het met Floor afgelopen. Ik ben ‘verplicht’ om op de kamer van twee Oekraïners en een Moldaviër vodka te komen drinken. Ze zijn elektriciens en doen iets met hoogspanning, maar het waarom dat ze hier zijn wordt niet duidelijk. We toasten op de eeuwige vriendschap tussen Nederland, Oekraïne en Moldavië. Vervolgens ook op de eeuwige jeugd, die volgens de versleten Moldavië is te bereiken door het drinken van vodka, het eten van spek en het slurpen van rauwe eieren. Ze vinden het geweldig dat we door de Oekraïne fietsen, dat we het een geweldig land vinden, dat we de Oekraïners zulke gastvrije mensen vinden, enz. Zij zijn niet trots op de Oekraïne. Ze verlangen terug naar de tijd dat ze nog onderdeel uitmaakten van de Sovjet-Unie.



De geluiden van het opbouwen van de markt dringen al vroeg onze hotelkamer binnen. Ruim voor het geplande tijdstip van 5.15 uur zijn we daarom al wakker. De artikelen die er zijn te krijgen variëren van groente en fruit van het omliggende platteland, Hugo Boss tassen (waarmee de meeste Oekraïners lijken te lopen), bloemetjesjurken en schorten. Het leven is opvallend actief op deze vroege zondagmorgen. Al fietsend over het ontwakende platteland passeren we de ‘moloko truck’ (melkwagen). De emmers met melk staan aan de weg en worden leeg gekieperd in de tank. Een beeld dat in Nederland waarschijnlijk al 50 jaar niet meer bestaat. Rustig is het op de weg niet te noemen. De mensen zijn of op weg naar de markt in Bershad of ze laten hun koeien uit.

Over niet meer onderhouden wegen van kinderkopjes moeten we de ene lange helling na de andere op. We proberen zo veel mogelijk op de parallel lopende zandwegen te rijden, om te voorkomen dat alle onderdelen van de fietsen lostrillen. Na een moeizame rit komen we om 8.45 uur aan in een klein dorp, waar we enthousiast worden ontvangen met ijskoude kvas. Ze vinden het prachtig dat we op weg zijn naar Odessa. Sterker nog, ze vinden het geweldig dat we het tweede paar fietsers zijn die ze de afgelopen paar jaar langs hun huis hebben gehad. Vol trots laten ze ons de foto’s zien van een Zweeds koppel, dat hier twee jaar geleden ook al is langsgefietst op weg naar Odessa. Ze willen nog een grap met ons uithalen door ons een fles water cadeau te doen, waar natuurlijk vodka in blijkt te zitten. Iedereen lacht dan hun gouden tanden bloot om deze Oekraïense dijenkletser.
Het landschap dat we vandaag moeten doorkruizen is erg saai en zwaar. De weg over de steile heuvels bestaat meer niet dan wel. We glibberen weg over de weinige kinderkoppen die er nog liggen, of lopen vast in de zanderige bodem. Naar beneden is nog niet zo erg, maar stijgen op zulke wegen is een ware marteling. Het weinige andere verkeer laveert zo veel mogelijk tussen de grootste gaten door. Er gebeurt hier verder weinig: er zijn geen dorpen en al helemaal geen mensen. Met 34 graden is het vooral erg warm. We fietsen langs een meertje, waarin we willen afkoelen. Dit wordt ons echter afgeraden door een bewoner. We denken dat het verstandig is om daar naar te luisteren, want hun standaarden zul al heel wat lager liggen dan de onze. Ik bedoel, Tsjernobyl ligt ook in de Oekraïne.

Zwetend en steunend rijden we dan maar door naar Balta. Daar belanden we op een terras, waar we kvas drinken, in ‘gesprek’ raken met een paar locals, waarna er al snel nog veel meer locals bijkomen om te vernemen wie wij zijn, waar we vandaan komen en waar we naar toe gaan. Onveranderlijk vindt men het maar een raar verhaal dat we voor ons plezier zoveel kilometers aan het fietsen zijn. We worden uitgenodigd om mee te gaan zwemmen. Iets waar met deze hitte graag mee instemmen. Heel Balta lijkt zich aan de waterplas te hebben verzameld. Na een zwempartij hebben we geen zin meer om nog op de fiets te stappen. Op zoek dus naar een hotel. Voor 200 UAH (€ 20,-) hebben we dit keer ronduit een slechte kamer, waarbij de douche, waarvan het gordijn met de minste aanraking naar beneden lazert, moet worden gedeeld. Leuk aan Balta is dat we voor het eerst Odessa op de verkeersborden zien staan. We komen er aan!

3.15 - Oekraïne | Bershad

De nacht is niet rustig verlopen, want het hotel en de locale discotheek horen bij elkaar. Zelfs de oordoppen bleken niet bestand tegen het lawaai van de jeugd van Bershad. Het complex herbergt het hotel, een kapper, een tandarts en twee restaurants die de keuken met elkaar delen. Een van de restaurants is tevens het lokale café en de luidruchtige discotheek. Wij hebben een kamer op de 2e etage, wat we Nederland de 1e etage zouden noemen. In de Oekraïne is de 1e etage de begane grond. Over verwarrend gesproken. Onze gang vormt de verbinding tussen de twee restaurant en al het eten gaat langs onze kamer. Niet dat er veel uit wordt gegeten, want dat is voor de gemiddelde Oekraïner veel te duur. Dat verklaard ook waarom restaurants zo dun zijn gezaaid. Feestjes en partijen gaan wel gepaard met veel eten, maar dat is allemaal tevoren besteld. Het menu biedt dus vaak weinig inzicht in wat er echt is te krijgen en het meeste op de kaart is dan ook niet beschikbaar voor de toevallige passanten die wij zijn.

Vanwege slechte nachtrust konden we ’s ochtends maar moeilijk wakker worden. De afgelopen drie dagen hebben we ook nog eens bijna 300 km gefietst in de zomerhitte en zijn onze billen wel wat rauw. Het kan kortom dus geen kwaad om een rustdag in te lasten. Ontbijten doen we dan ook pas om 11.00 uur. Met gebaren en de paar woorden die we inmiddels spreken, slagen we er in een ontbijt met tosti’s, sap en koffie te bemachtigen. De serveerster blijken meer moeite met de bestelling te hebben dan wij en raken helemaal van slag. In tegenstelling tot ons, want wij zijn eigenlijk wel trots op het feit dat we er iedere keer weer in slagen onderdak en wat te eten te bemachtigen.

Bershad heeft het voordeel dat het omgeven is door water. Genoeg plek dus om een koele rustdag aan door te brengen. Aan het water vinden we een mooie plek op het gras aan het water. Onder de bomen en met een verfrissende bries. Er zijn een paar moeders, oudere vrouwen met paars-rood geverfde haren en een tiental jongens van een jaar of 10-12 die stoer zitten te roken. Wij vragen ons af wanneer de massa uit Bershad hier verkoeling komt zoeken, want in het stoffige Bershad is werkelijk niets te beleven. Tenzij je een meisje/vrouw bent in de leeftijdscategorie 14-25 jaar, want dan ben je de hele dag druk met je uiterlijk. Elk half uur het spiegeltje er bij. Zitten de haren nog goed? Check op de make-up, check! Het is meer een soort bevestiging zoeken van je (on)zekerheid in je eigen spiegelbeeld. Dit moet echt rete vermoeiend zijn. Het water van het meertje is lekker van temperatuur, een soort van schoon (er staan iets verderop twee fabrieken zwarte rook uit te stoten) en dus lekker om in te zwemmen. Wij vinden deze plek best. De hele middag chillen we de pan uit met een boek aan het water.
Pagina 1 van 29
Ga naar boven