Ondanks de belabberde kwaliteit van het hotel, krijgen we een grondige kamerinspectie voordat we mogen vertrekken. Desondanks kan er een lach vanaf als we weer op de fiets stappen. Met een forse tegenwind rijden we over saaie wegen, door een erg saai en rommelig landschap naar Anan’iv. Daar pauzeren we bij een kleine eetgelegenheid, dat wordt gerund door een vrouw in een vormloze blauwe jurk en met gouden tanden en roodgeverfd haar. We eten broodjes gevuld met vlees, dille en kool. Vier oude mannen, ook voorzien van gouden tanden, zijn aan de pivo en de vodka. Er wordt ons in het Duits een gedicht voorgedragen. Bij vertrek volgt een ‘adieu’, ‘gute fahrt und so weiter ja’. Iedere dag weer worden we verrast door allerlei onverwachte gebeurtenissen.

Als we Anan’iv weer verlaten, worden we ‘opgehouden’ door een paar mensen die ons afraden over deze weg verder te rijden. Het wegdek schijnt namelijk erg slecht te zijn. Ze raden ons aan om de snelweg te nemen naar het 44 kilometer verderop gelegen Shyriaieve. Na enige verwarring begrijpen ze dat een snelweg niet de meest aantrekkelijke optie is wanneer je op de fiets bent. Daar komt nog bij dat we inmiddels wel denken te weten wat een slecht wegdek in de Oekraïne inhoudt en dat we dit stukje ook nog wel aankunnen. Met een hoop gedoe, gebaren en geteken, wordt ons uitgelegd hoe we het beste kunnen rijden om er dan maar het beste van te maken. Supervriendelijk natuurlijk, maar blijkbaar hebben ze niet in de gaten dat we twee goede kaarten bij ons hebben.

De route in zuidelijke richting loopt gelukkig weer door een aantrekkelijk landschap. Graanvelden in een glooiend landschap, die dit keer niet aan het zicht worden onttrokken door een onafgebroken groenstrook langs de weg. De eerste 35 kilometer tikken we de kilometers achter elkaar weg. We passeren versleten dorpen waar al jaren niets meer lijkt te gebeuren. Kuddes koeien en schapen lopen door de weiden of over de weg naar weer een nieuwe plek om te grazen. In het open landschap zien we al van verre een onweersstorm naderen. De wind die recht van voor komt, neemt toe in krijgt. Het begint ronduit te stormen. Net voordat het noodweer losbarst vinden we een plek achter een dichte bossage. Vervolgens begint het te hozen. We staan dan wel niet helemaal droog, wel staan we beschut tegen de zware windstoten. De bliksem knettert en de donder roffelt door het open landschap. De storm trekt over, de wind gaat liggen en dan stopt het ook met regenen. De weg met keien en inmiddels grote plassen houdt niet lang stand. De eerder zo mooie zandweg is verandert in een zuigende klomp klei.

Als tsjernosem nat en verzadigd raakt, verandert het in een kleiachtige modder, waarin het water niet wegzakt. Te laat hebben we in de gaten dat hier te maken hebben met serieuze klei. Grote brokken klei rond de remmen, vullen onze spatborden en blokkeren zo beide wielen. Succes! We kunnen niet meer voor- of achteruit. We staan vast in de klei. Met stokjes en met onze handen proberen we zo veel mogelijk de klei te verwijderen. In elk geval zodat we de fiets weer in beweging krijgen. Er zit niets anders op dan de fietsen voort te duwen door de berm. De rand tussen het sompige graanveld en de weg biedt net genoeg stevigheid om de fiets te kunnen dragen. Het nadeel is dat deze smalle rand vol staat met distels, waardoor onze benen veranderen in een bloedende massa en die vervolgens weer zwermen met muggen aantrekken. Helaas is de berm regelmatig onderbroken, waardoor we de glijdende kleibaan moeten oversteken om stabiele grond aan de andere kant te bereiken. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, want dat betekent dat we de fietsen, die elke ruim 25 kilo wegen, moeten optillen om aan de 
overkant te komen. Een aantal keren gaat dat fout, waardoor alles weer onder de klei zit en weer van voor af aan kunnen beginnen. We hebben geen idee hoe lang deze weg nog zo door gaat. We weten wel dat het nog maximaal 12 kilometer is naar Shyriaieve. In de verte zien we een dorpje liggen, waar we ons met moeite naar te slepen. We hopen zo dat daar de verharde weg weer begint. Achter ons komt een Lada door de modder en de klei aangeschoven. Even lijkt het er op dat een Lada inderdaad overal doorheen komt. Maar helaas, ook de Lada rijdt zich muurvast in de klei. Stiekem moeten we daar wel een beetje om grinniken.

In het dorp komen we inderdaad weer op een verharde weg terecht. Wat een opluchting is dat. Deze regenbui is ook wel een ‘freak-accident’ geweest. Al een hele week worden we vergezeld door een strakblauwe lucht. Als we een half uur eerder waren geweest was er geen enkel probleem geweest. Genaaid door het lot. Als een stel moddermannetjes vol bloed en muggenbeten, rijden we Shyriaieve binnen. Horror uit de modder. We zijn zo blij dat we er inderdaad het hotel aantreffen dat op de kaart staat vermeld. Ik trek voor de zekerheid een schoon T-shirt aan om überhaupt toegelaten te worden. Volgens de mannen die buiten zitten te roken is dit een ‘5-star-hotel’. We kunnen dan ook niet wachten tot we gebruik kunnen maken van het sanitair. Maar wat blijkt: dit hotel heeft helemaal geen douche. Sterker nog, er is helemaal geen stromend water. De kamer kost dan ook maar 60 UAH (€ 6,-).

Omdat de mannen die buiten voor het hotel zitten te grappen over onze gortigheid, ook wel begrijpen dat wij een douche wel kunnen gebruiken, ontstaat er een wending van het lot. We mogen douchen bij Vitaliy en Woha. Vader en zoon zijn nogal dronken, maar dat kan ons niet deren, want wij willen douchen. Bij voorbaat voelen we ons schuldig over de grote en schone badkamer met warme douche die volledig gaan bevuilen. Maar natuurlijk bestaat er niet zo iets. We zijn tenslotte in de Oekraïne. De ‘witmarmeren’ douche is niets meer dan een gammele houten hok achter in de tuin, met op het dak een olievat gevuld met koud water. De omgeving wordt gevormd door een afvalberg, waarover de ganzen vrolijk lopen te ganzen. Desondanks is het een luxe. Vrij van modder en zweet kunnen wij de wereld weer aan.

Daarna kunnen we de paar glazen verplichte vodka niet weigeren. We proberen zo goed en zo kwaad als het kan een soort van gesprek te hebben, wat wordt bemoeilijkt doordat vader en zoon zo dronken als een mallemegoot zijn. Als het korte termijn geheugen van hen beiden geheel is uitgevallen, hebben wij de kans om de zuippartij te verlaten om wat te gaan eten. In het hotel blijkt een Oekraïner te zijn, die best een aardig woordje Engels spreekt. Via hem bestellen we een voedzame maaltijd in het café van het hotel, dat tevens het magazin en het restaurant is. Direct na de maaltijd is het met Floor afgelopen. Ik ben ‘verplicht’ om op de kamer van twee Oekraïners en een Moldaviër vodka te komen drinken. Ze zijn elektriciens en doen iets met hoogspanning, maar het waarom dat ze hier zijn wordt niet duidelijk. We toasten op de eeuwige vriendschap tussen Nederland, Oekraïne en Moldavië. Vervolgens ook op de eeuwige jeugd, die volgens de versleten Moldavië is te bereiken door het drinken van vodka, het eten van spek en het slurpen van rauwe eieren. Ze vinden het geweldig dat we door de Oekraïne fietsen, dat we het een geweldig land vinden, dat we de Oekraïners zulke gastvrije mensen vinden, enz. Zij zijn niet trots op de Oekraïne. Ze verlangen terug naar de tijd dat ze nog onderdeel uitmaakten van de Sovjet-Unie.



De geluiden van het opbouwen van de markt dringen al vroeg onze hotelkamer binnen. Ruim voor het geplande tijdstip van 5.15 uur zijn we daarom al wakker. De artikelen die er zijn te krijgen variëren van groente en fruit van het omliggende platteland, Hugo Boss tassen (waarmee de meeste Oekraïners lijken te lopen), bloemetjesjurken en schorten. Het leven is opvallend actief op deze vroege zondagmorgen. Al fietsend over het ontwakende platteland passeren we de ‘moloko truck’ (melkwagen). De emmers met melk staan aan de weg en worden leeg gekieperd in de tank. Een beeld dat in Nederland waarschijnlijk al 50 jaar niet meer bestaat. Rustig is het op de weg niet te noemen. De mensen zijn of op weg naar de markt in Bershad of ze laten hun koeien uit.

Over niet meer onderhouden wegen van kinderkopjes moeten we de ene lange helling na de andere op. We proberen zo veel mogelijk op de parallel lopende zandwegen te rijden, om te voorkomen dat alle onderdelen van de fietsen lostrillen. Na een moeizame rit komen we om 8.45 uur aan in een klein dorp, waar we enthousiast worden ontvangen met ijskoude kvas. Ze vinden het prachtig dat we op weg zijn naar Odessa. Sterker nog, ze vinden het geweldig dat we het tweede paar fietsers zijn die ze de afgelopen paar jaar langs hun huis hebben gehad. Vol trots laten ze ons de foto’s zien van een Zweeds koppel, dat hier twee jaar geleden ook al is langsgefietst op weg naar Odessa. Ze willen nog een grap met ons uithalen door ons een fles water cadeau te doen, waar natuurlijk vodka in blijkt te zitten. Iedereen lacht dan hun gouden tanden bloot om deze Oekraïense dijenkletser.
Het landschap dat we vandaag moeten doorkruizen is erg saai en zwaar. De weg over de steile heuvels bestaat meer niet dan wel. We glibberen weg over de weinige kinderkoppen die er nog liggen, of lopen vast in de zanderige bodem. Naar beneden is nog niet zo erg, maar stijgen op zulke wegen is een ware marteling. Het weinige andere verkeer laveert zo veel mogelijk tussen de grootste gaten door. Er gebeurt hier verder weinig: er zijn geen dorpen en al helemaal geen mensen. Met 34 graden is het vooral erg warm. We fietsen langs een meertje, waarin we willen afkoelen. Dit wordt ons echter afgeraden door een bewoner. We denken dat het verstandig is om daar naar te luisteren, want hun standaarden zul al heel wat lager liggen dan de onze. Ik bedoel, Tsjernobyl ligt ook in de Oekraïne.

Zwetend en steunend rijden we dan maar door naar Balta. Daar belanden we op een terras, waar we kvas drinken, in ‘gesprek’ raken met een paar locals, waarna er al snel nog veel meer locals bijkomen om te vernemen wie wij zijn, waar we vandaan komen en waar we naar toe gaan. Onveranderlijk vindt men het maar een raar verhaal dat we voor ons plezier zoveel kilometers aan het fietsen zijn. We worden uitgenodigd om mee te gaan zwemmen. Iets waar met deze hitte graag mee instemmen. Heel Balta lijkt zich aan de waterplas te hebben verzameld. Na een zwempartij hebben we geen zin meer om nog op de fiets te stappen. Op zoek dus naar een hotel. Voor 200 UAH (€ 20,-) hebben we dit keer ronduit een slechte kamer, waarbij de douche, waarvan het gordijn met de minste aanraking naar beneden lazert, moet worden gedeeld. Leuk aan Balta is dat we voor het eerst Odessa op de verkeersborden zien staan. We komen er aan!
Ga naar boven