Op de weg van Newman, terug naar de kust, stoppen we bij Wanna Muna Aboriginal rockcarvings. De locatie is gemarkeerd met twee witte palen langs de weg. Ons is verteld dat het een 'easy two-wheel-drive' zou moeten zijn. Wij zouden deze weg echter willen scharen onder de categorie 'difficult four-wheel-drive'. De laatste kilometers moeten we dan ook lopen. Het is jammer dat we hier niet met de auto kunnen komen, want we bereiken een geweldig mooie kampeerplek aan de rand van een waterpoel. De omliggende rode rotsen zijn rijkelijk voorzien van Aboriginal tekeningen. helaas zijn ook deze tekeningen het slachtoffer geworden van vandalen. We begrijpen waarom het bezoeken van sites als deze wordt ontmoedigd en waarom ze niet of nauwelijks staan aangegeven. Van de hier aanwezige tekeningen kunnen wij niet zeggen wat origineel is en wat er later door de vele kakkerlakken aan is toegevoegd. Van dokter Phil hadden we gehoord dat er hier een hele mooie afbeelding van een reeds uitgestorven Tasmaanse tijger zichtbaar zou moeten zijn. We maken een foto van de tekening waarvan we denken dat het de Tasmaanse tijger moet voorstellen. We snappen echt niet waarom deze plekken zo gevandaliseerd worden. Vergelijk het eens met een idioot die in Nederland met een zwarte marker, de doeken van Rembrandt of Van Gogh te lijf gaat. De wereld zou te klein zijn.

Met een vieze smaak in de mond lopen we terug naar de auto, waarna we in noordelijke richting rijden naar Mount Robinson rest area. Het is een mooie, gratis kampeerplek langs de Great Northern Highway. We staan tussen de spinifex en de enorme
hoeveelheid wilde bloemen aan de voet van Mount Robinson. Over het met witte bloemen gevulde dal, kijken we uit over het rode, ruige landschap naar een verderop gelegen berg. Over de Great Northern Highway rijden grote aantallen roadtrains, met wel vier aanhangers. Deze 'treinen van de weg' zijn wel 50 meter lang. Ze pendelen tussen de mijnen die niet zijn ontsloten met een spoorlijn en zijn de schakel tussen de reusachtige 'stations' en de bewoonde wereld.

Terwijl de rode zon ondergaat en de hemel 360° om ons heen oranje-roze-paars wordt gekleurd, genieten wij van onze chili-con-carne. Het leven is lang niet slecht in deze lege uitgestrektheid van Western Australia. Samen met een echtpaar uit Tasmanië, delen we het kampvuur. Natuurlijk verloopt het gesprek eerst volgens het vaste patroon: waar kom je vandaan, waar ga je naar toe, wat vind je van Australië, enz. Dit keer komt het gesprek echter ook een stukje verder. We praten over de dieren in Australië en dus ook over de Tasmaanse tijger. Het is ons inmiddels wel bekend dat Australiërs goed zijn in 'bullshitten', maar het verhaal wat we van de man te horen krijgen klinkt wel plausibel. Van beroep is hij altijd visser geweest en daarom was hij regelmatig te vinden in het volstrekt ontoegankelijke zuidwesten van Tasmanië. Daar heeft hij naar eigen zeggen de Tasmaanse tijger, wat een hondachtige is, meer dan eens gezien. Hoe mooi zou het wel niet zijn, wanneer dat waar blijkt te zijn. Dat een reeds uitgestorven beschouwd dier, nog gewoon te vinden is in een gebied dat zo afgelegen en ruig is, dat niemand daar komt.

We rijden via de 12 Apostles verder en bezoeken nog een paar uitkijkpunten. De kustlijn wordt met een snelheid van twee centimeter per jaar weggeslagen. Als je ziet dat de kust op sommige plaatsen al 500 meter is terug getrokken, dan heb je wel een beeld van de ‘recente’ geologische geschiedenis van dit deel van Australië. We rijden door naar Warambool waar we boodschappen doen. We komen er achter dat het aanmerkelijk scheelt wanneer je in de grotere plaatsen groot inslaat, want in de dorpen is het echt belachelijk duur. In Warambool tanken we voor $ 1,23 per liter, wat tien cent duurder is dan in Melbourne. We beginnen langzaam door te krijgen hoe we de kosten kunnen drukken.

Vlak voor Warambool hebben we het einde van de Great Ocean Road bereikt. We vervolgen onze route over de kustweg A1, om na Port Fairy in noordelijke richting te rijden. De route is eigenlijk vrij saai. Kaarsrechte wegen door boerenland, zonder duidelijke functie. We rijden nu nog door het dichtstbevolkte deel van Australië. We zijn onderweg naar het Mount Eccles National Park. Uit onze wegenatlas hebben we al opgemaakt dat we hier kunnen kamperen. Mount Eccles is een uitgedoofde vulkaan, die 8.000 jaar geleden voor het laats is uitgebarsten. Hiermee is het recordhouder voor wat betreft de meest recente geologische gebeurtenis van enig formaat in Australië. Het gebied er om heen is volledig bedekt door vulkanische afzettingen. Hierdoor is het gebied zeer vruchtbaar. Het is indrukwekkend om langs de vulkaankrater te lopen, waarin een meer ligt te schitteren en door een lavatunnel te kunnen lopen.

Het kampement in Mount Eccles National Park Een uitstalling van het goede leven


Het kampeerterrein van Mount Eccles ligt midden in een uitgestrekt eucalyptus bus. De kampeerplekken zijn ruim en hebben een eigen vuurplaats en barbecue ineen. Reeds gehakt hout kunnen we kosteloos pakken. Er is drinkwater en er zijn douches met warm water. Tegen de avond komt de beheerder langs voor de inzameling van de kampeerkosten. $ 7,50 is het hoge bedrag dat we moeten overhandigen. We maken een praatje, waardoor we er achter komen dat er een ‘total fire-ban’ van kracht is in verband met de extreme droogte. Dit betekent dan weer niet dat we de barbecue niet kunnen gebruiken. Dat is anders. Als we het vuur maar laag houden. We maken ons vuur aan, bekijken de koala’s in de bomen, marineren het rundvlees met mosterd en prepareren de kip. Als het donker begint te worden, wordt het hele bos opgeschrikt door de kaketoes die in groten getale komen overvliegen. Ze maken een enorme tering herrie. Ze maken het geluid dat je verwacht dat de dinosauriërs zouden hebben gemaakt. Ze zijn helemaal wit met een groengele kuif. Doordat de zon net ondergaat, wordt de witte buik van de vogels mooi roze verlicht door de zon. Alsof dit nog niet genoeg is, zien we ook onze eerste kangaroe. Het blijft er niet bij een. Er lopen er uiteindelijk een stuk of vier door ons kampement. Ze zijn grijs en de grootste is toch wel zo’n anderhalve meter hoog. We krijgen nog een aantal opossums (buidelratten) op bezoek die bijzonder brutaal zijn. Er loopt er één op een paar centimeter afstand en ook een wandeling over de barbecue wordt niet geschuwd bij de zoektocht naar eten. Bang voor mensen zijn ze duidelijk niet. Pas als het helemaal donker is, wordt het stil. Volmaakt stil. In de donkere hemel zien we het Zuiderkruis en Orion staan. Ook zien we de twee nevels van de melkweg die we op het noordelijk halfrond vanaf de andere kant hebben gezien.

Ga naar boven