Slapen in de auto is ontzettend aangenaam. ‘s Nachts kijk je door de ramen naar de nachtelijke sterrenhemel. Wakker word je met het eerste ochtendlicht. Vanuit de auto zien we de wereld langzaam kleur krijgen. De zon komt iedere dag mooi op, maar er zijn nooit wolken om het nog mooier te maken. Wolken zijn hier sowieso een zeldzaam verschijnsel. Langzaam zien we de rotswand oranje worden aangelicht. In de ochtend en tegen de avond, wordt de kleur van het steen diep donkerrood. Bijna tegen paarsbruin aan. De vogels kwetteren en kwetteren nog wat meer. De wilde bloemen in het veld maken de wereld nog mooier dan die al was. Als de berg waar we op uit kijken voldoende rood is aangelicht, staan we op om een kopje koffie te zetten. Het is gelukkig niet meer zo koud als de afgelopen periode. Wel hebben we ‘s ochtends nog twee dikke truien nodig. We lijken langzaam maar zeker noordelijk genoeg te komen om de Australische winter achter ons te laten. Overdag hebben we weer genoeg aan alleen een T-shirt.

Het ontbijt bestaat uit gebakken eieren met koffie en thee. Het inruimen van de auto is zo gebeurd, want we zijn inmiddels erg handig in het organiseren. Alles heeft een vaste plek, waardoor alles perfect past en ook nog eens makkelijk is te vinden. Wie niet veel heeft, hoeft ook niet veel te zoeken. Klaar om te vertrekken, maar niet voordat we de kloof verkennen die direct in het verlengde van de rest area begint. We klauteren over stenen en boomstronken en zien een kleine uil. Slangen laten zich echter nog steeds niet zien. Het wordt echt wel eens tijd voor onze eerste levende slang. De kloof is minder diep dan we dachten, dus de ochtendwandeling is maar een korte. Doordat we elke dag actief bezig zijn, voelen we ons erg gezond. We vragen ons af hoe het straks in Nederland moet. Als we hier worden ingehaald door een andere auto, worden we al misselijk van de uitlaatgassen. In Nederland zouden we dat niet eens ruiken.  

Vandaag rijden we 289 km. We zijn op weg naar Indee Station. Daarvan hebben gehoord dat een goede stop is. En aangezien de overnachtingen op stations tot dusver tot de beste ervaringen van Australië behoren, maken we hier ook graag een stop voordat we doorrijden naar Port Hedland. De route gaat recht door en over de Hamersley ranges, de Engelse benaming van de Karijini. We vinden de Aboriginal namen wel een stuk mooier en intelligenter klinken dan de Engelse namen. De huidige Engelse namen zijn eigenlijk erg simplistisch en egoïstisch: ik zie een berg dus ik vernoem deze naar mijzelf. Zonder daarbij enige waarde te hechten aan de naam die de Aboriginals er al tienduizenden jaren aan hebben gegeven. Een naam die ook veel meer landschappelijke beschrijving inhoudt.
De Great Northern Highway slingert zich door een paar kloven, waarna we van ruim 700 meter, langzaam maar zeker afdalen naar zeeniveau. Het landschap en de vegetatie beginnen te veranderen. We laten de rode heuvels en bergen van de Karijini achter ons. We zijn weer in ‘Station land’. Dit land wordt intensief begraasd, waardoor de vegetatie minder rijk en divers is. We rijden door een landschap dat is bezaaid met halfronde en ovaalvormige bollen, waarvan het er naar uit ziet dat ze veel ijzer bevatten.

Vanaf de Great Northern Highway draaien we de 9 km lange onverharde oprijlaan van Indee Station op. Daar melden we ons bij de familie, van wie we te horen krijgen dat we maar moeten doen waar we zin in hebben. Per dag moeten we 12 dollar betalen, maar dat hoeven we pas af te rekenen bij vertrek. Omdat er in het uitgestrekte gebied 1.000 runderen rondlopen, kiezen we voor een plek tussen de hekken waar we vrij zijn van koeien. Niet dat we bang zijn voor koeien, maar wel voor het effect van een koe van een paar honderd kilo die per ongeluk over onze scheerlijnen struikelt. Het zou niet het eerste dier zijn dat de scheerlijnen niet ziet. Onze tent zetten we op onder een grote boom. Schaduw, dat is wat we nodig hebben in dit warme klimaat. We kamperen midden tussen de felgekleurde Sturt’s Desert Pea (Swainsona formosa), die bekendstaat om zijn opvallende bloedrode, bladachtige bloemen, die elk een bolvormig, zwart centrum of knobbel hebben. Het is een van de bekendste wilde planten van Australië. De plant komt van nature voor in de droge gebieden van centraal en noordwestelijk Australië.

Vanaf 15.30 uur kan er worden gedoucht met warm water. Dan staan de vuren aan onder de waterketels. Een fantastisch systeem. Douchen is een belevenis, want de douches zijn van hout en golfplaat. De combinatie van het hout en de geur van brandend hout, doet ons denken aan Rusland en Slowakije. Dit is echt geweldig. Opgefrist gaan we naar de 'happy-hour' die door de eigenaar wordt georganiseerd. De Engelse taal heeft geen goede term voor 'een borrel'. Er staan lekkere hapjes op tafel en met de leuke en interessante mensen (alleen maar Australiërs) worden sterke verhalen uitgewisseld. 's Avonds maken we ons eten klaar in de grote keuken van de station. We hebben een gezellige avond met een gezin waarvan de man Nederlandse ouders heeft. Ook nu worden er natuurlijk sterke verhalen uitgewisseld over hoe 'not-normal' dingen zijn in Australië: vliegen, de maan, sommige dorpen. Het wordt grappig als we herinneringen ophalen over boerenkool met worst, kroketten en mayonaise. We blijven Nederlanders.

5.04 - Australië | Coral Bay

Vandaag maken we er met onze vier nieuwe vrienden een stranddag van. Vanaf de camping lopen we naar het strand en dan is het nog ongeveer een kilometer links aanhouden. Het is daar rustig, want de meeste mensen zijn veel te lui om een stuk te lopen. Vanaf het punt, waar we ons basiskamp maken, is het een paar meter zwemmen tot het grote veld met koraal. Het nadeel is dat er veel wind staat, waardoor het water vrij troebel is en het ook vrij koud is, wanneer je weer uit het water komt. Het koraal heeft hier niet veel kleur, wat door de temperatuur van het water komt. Warm water geeft gekleurd koraal en het koude water zorgt voor ongekleurd koraal. Grote constructies van koraal zijn zichtbaar in het water. Enorme schelpen, kasstelen met kantelen, geweien met een groot aantal zijtakken en kandelaren. Al deze constructies komen we tegen. Het levende koraal wuift mee met de deinig en stroming van de zee. Het dode koraal is hard als steen, omdat het uitwendige skelet van kalk is achtergebleven. Veel vis is er niet te zien. Grote snappers houden zich op boven het zand en tussen het koraal zien we kleine aantallen gekleurde vissen. Het zijn hier niet de aantallen die we in Quobba hebben gezien. Floor begint haar angst gelukkig langzaam te overwinnen en durft al wat verder het water in. Ik zie uit mijn ooghoek een schim van iets dat de vorm en grootte van een haai heeft wegschieten. Cool.

Ondanks het mooie koraal moeten we ons wel de vraag stellen of we het hier wel zo leuk vinden. Het is dan wel een plaatje waarvan je heel warm wordt als je zo’n plaats ergens afgebeeld ziet staan. Het is ook een plaatje waarmee je mensen erg jaloers kunt maken, maar dat plaatje zou alleen maar een oppervlakkig beeld schetsen van deze plek. Coral Bay heeft ook een groot aantal nadelen, waarvan de belangrijkste is dat het hier gewoon veel en veel te toeristisch is. Als je een stukje over het strand loopt ben je wel weer met weinig anderen, maar het water wordt wel door heel veel mensen gebruikt. Vanaf het strand in Coral Bay worden grote aantallen patser boten te water gelaten, die heen en weer over het rif varen. In het water moet je serieus opletten dat je niet wordt overvaren. Het is dan ook weer typisch Australisch: dit is zogenaamd een beschermd gebied, maar je kunt vervolgens wel alles doen met je boot. Voor Australiërs geldt het gezegde: ‘ik vis, dus ik ben’. Ook hier gaat dat op. De mensen staan hier niet met hun hengels niet op het strand, maar ze gaan met hun boot boven het rif liggen om daar tussen de snorkelende mensen te vissen. Er bestaan wel regels, maar die meer betrekking op de minimale grootte van een vis die er gevangen mag worden. Iets ten noorden van Coral Bay ligt zelfs een gebied waar je op het rif mag spelen met je waterscooter. Waarom zou je dat überhaupt boven een rif willen en moeten doen? Er zijn hier gewoon te veel mensen. Het is hier eigenlijk niets meer dan een ordinair pretpark. Terug op de camping blijkt dat privacy hier ook niet bestaat. We zijn volledig ingebouwd, terwijl de rest van de camping nog lege plekken genoeg heeft. Op deze camping zijn ze alleen maar uit op je geld. In het bieden van kwaliteit zijn ze niet geïnteresseerd. De camping is al duur, maar wil je de BBQ gebruiken, dan moet je daar nog steeds 1 dollar voor betalen. Hier zijn dan wel weer veel jongeren, maar daardoor is eigenlijk niets anders dan een partycentrum. Het vinden van gelijkgestemden is moeilijk.
We hadden eigenlijk gepland om nog een dag langer in Quobba te blijven, ware het niet dat onze brander kapot is en we weer 90 kilometer terug moeten rijden naar Carnarvon. In Carnarvon vullen we onze versvoorraad aan en schaffen een nieuw kooktoestel aan voor $ 30. We kopen er direct 12 gasflessen bij voor $ 2,50 per stuk. We trakteren ons nog een keer op een mok cappuccino op het terras. Het is behoorlijk relaxed dat we weer genoeg geld hebben, waardoor we wat meer kunnen genieten. Bij het tankstation vullen we onze jerrycans met water, want de komende 610 kilometer is water schaars. Vanaf Carnarvon is het ruim 200 kilometer naar Coral Bay. We zijn die lange afstanden inmiddels wel gewend, maar voor iemand die nog nooit in Australië is geweest zullen deze afstanden niet zijn voor te stellen. Helmaal niet omdat je gedurende die 200 kilometer helemaal niets tegenkomt. De lucht is zoals gewoonlijk blauw, zonder dat er ook maar een wolkje is te zien. De bush waar we doorheen rijden is vergelijkbaar met een licht glooiend vergeeld en vergrasd heidelandschap. Zo ongeveer 50 kilometer voor Coral Bay zien we dat er een steeds groter wordend aantal termietenheuvels in het landschap staat. Eerst zien we er maar een en dan zien we er honderden zover het oog reikt. Ze hebben stuk voor de stuk de kleur van de rode aarde in variëren in hoogte van halve tot ruim twee meter. Een nadere inspectie van deze bouwwerken zal zeker volgen. We registreren dat we om 13.14 uur de Tropic of Capricorn kruizen. Volgens Floor ‘een zeer bijzondere ervaring, die nog enige tijd natintelde in mijn buik!’ Coral Bay is een toeristenplaats van de eerst orde. Het ligt bij het meest zuidelijke punt van het Ningaloo Reef. Coral Bay is beroemd omdat het koraal hier een meter van het strand al begint. Er zijn hier twee grote, drukke en veel te dure campings. Wij zoeken de minst beroerde van de twee uit, waar we nog steeds $ 25,75 moeten betalen voor een plek zonder schaduw. Hoe durven ze dit soort absurde bedragen te vragen. Het is de duurste camping sinds Melbourne. Het is vandaag knetter warm, waarvan we meten dat het 33 graden in de schaduw is. Dit is wel weer een riante temperatuur om te zwemmen. Naast onze komt een stel te zijn dat sinds hun auto in Perth is komen de overlijden, al liftend verder aan het reizen is. We gaan met elkaar naar het strand, waar we nog een paar mensen ontmoeten. We kunnen gerust stellen dat Coral Bay onze eerste tropische strand ervaring is. Wat we hebben gezocht in Azie, hebben we hier gevonden. De zee is turkoois en donker blauw, het strand is wit, de lucht is blauw en de zon gaat hier langzaam onder in een oranje bol. Het enige nadeel is dat het water van de zee nog steeds niet warm is. Dit is wel een plek waarbij je zou willen dat je nu een telefoon met camera zou hebben, om een foto te kunnen sturen naar de werkende mensen thuis. Al snorkelend in de baai komen we een paar roggen en een shark ray, dat inderdaad qua beeld een kruising is tussen een rog en een haai. Veel meer vissen zijn er niet te zien. Door al het op- wervelende zand is het water in de baai voor de campings erg troebel. Het zichtbare koraal is van het type dood. We denken dat het is veroorzaakt door het grote aantal boten dat hier te water wordt gelaten en door het water ploegt.

3.19 - Australië | Stirling Ranges NP (62 km)

Vandaag vertrekken we van de camping in Mt. Barker. We hebben er vier nachten gestaan, waarvan we er maar drie hebben betaald door de chaotische administratie van de camping. Hebben we de hoge prijs van de camping toch nog kunnen compenseren. $ 16,- is veel te duur voor deze brakke camping die adverteert ‘je huis van huis’ te zijn. Ons verblijf op deze camping was enkel praktisch. Zo praktisch dat we zelfs de foto’s hebben kunnen uitzoeken op de televisie. Een totaal brakke camping, maar dan wel met een televisie. Er vliegt net een pelikaan over, die achterna wordt gezeten door twee kleine vogels. We rijden naar de 70 kilometer verderop gelegen Stirling Ranges, maar niet voordat we in de supermarkt eten hebben gehaald voor op de BBQ. Door de toppen van de Stirling Ranges worden de wolken net genoeg uiteengedreven, zodat het zonnetje kan doorkomen. Dit zonnetje voelt lekker.

De top heeft een hoogte van 1.200 meter en kan worden bereikt via een pad dat een lengte heeft van nog geen twee kilometer. Dit betekent dus een flinke klim. We beginnen met goede moed, maar die moed wordt al snel minder wanneer we zien dat de top in wolken is gehuld en dat er behoorlijk veel wind staat. We trekken er een tweetal conclusies uit: 1) dat we nat zullen regenen als we de wandeling doorzetten; 2) dat de afdaling door de gladde rotsen zeer onprettig zal gaan worden. We hebben daar eigenlijk helemaal geen zin in en zo mooi is het hier ook weer niet. Na een half uur te hebben gelopen keren we dus maar weer terug naar de auto. Terug in de auto balen we behoorlijk, want voor deze afgebroken wandeling waren we naar de Stirling Ranges gekomen. Wederom gooit het slechte weer roet in het eten. Voordeel is dan wel dat de vele regen van de afgelopen tijd voor genoeg drinkwater heeft gezorgd. Op de camping in Mt. Barker was het water niet te drinken door het vele chloor dat ze er aan hadden toegevoegd. Je vraagt je af waarom ze er zo veel chloor in doen. Een slok zwembadwater is lekkerder. Het ‘drinkwater’ in South-Australia was ook al zo ranzig. Doordat we een voorraad van 45 liter water bij ons kunnen hebben, hebben we nog altijd kunnen voorkomen om ranzig water te drinken. Als we lekker water tegenkomen vulen we direct onze watervoorraad.
Vandaag is het tijd om te solliciteren. Het is eigenlijk geen wonder dat we aan het werk moeten, want het druiven plukken in Adelaide is al weer een maand geleden. Toen hebben we ook maar vier dagen gewerkt. We hebben het eigenlijk dus best lang volgehouden. We hadden het ook niet anders kunnen doen, want Albany is de eerste mogelijkheid om weer aan het werk te kunnen gaan. En in haasten hebben we geen zin. Omdat we niet weten wat de dag gaat brengen pakken we onze spullen en gaan op weg. We bezoeken het eerste de beste ‘recruitment agency’ (uitzendbureau), waar we heel goed en serieus worden geholpen en ons gelijk kunnen inschrijven. We krijgen te horen dat we eigenlijk te laat zijn voor het plukken van fruit. De oogst is voor het grootste deel al binnen en voor een ander deel niet gelukt vanwege het tekort aan zonuren deze zomer. Er blijkt geen werk te zijn in de productie of in de visverwerking en ook wordt ons verteld dat we niet hoeven te rekenen op werk in de wijngaarden. Dit is toch iets anders dan we hadden verwacht te horen.

Bij het tweede bureau (Skill Hire), worden we ook weer vriendelijk worden geholpen, maar krijgen hetzelfde verhaal te horen. We bezoeken daarna de bibliotheek om gebruik te maken van het gratis Internet om de ‘Harvestline’ te bekijken. We verzamelen de zeer tegenvallende informatie en besluiten te bellen met de oma van een meisje dat we in Melbourne bij Stellar hebben ontmoet. Er werd ons toen verteld dat we wel aan de slag zouden kunnen op een kleine boerderij net buiten Perth. Ze blijkt echter maar voor een persoon werk te hebben. Werk dat zou bestaan uit bomen vellen met de motorzaag en greppels graven met een graafmachine. Deze hulplijn schiet dus ook niet op. Het is tijd om plan B in werking te zetten. Omdat we geld nodig hebben verzilveren we een deel van de Traveller Cheques die we sinds ons vertrek uit Nederland ongebruikt bij ons dragen. We hebben geen zin om de Nederlandse bankrekening te gebruiken; daar staan onze reserves. Net als we naar Perth willen vertrekken om daar ons geluk te gaan proberen, worden we gebeld door Skill Hire. Vanaf overmorgen kunnen we twee dagen druivenplukken in Mt. Barker. We kunnen daar werken voor een uurloon van $ 15,90 Het is dan wel pas over twee dagen, het is in ieder geval iets. En dat is weer beter dan niets. Omdat we verder toch niets te doen hebben rijden we maar vast naar de camping in Mt. Barker.

Mt. Barker is een gat met 1.200 inwoners, maar wel met grote toeristische ambities. Onder andere vanwege de liggng in een wijnregio en de nabijheid van een aantal nationale parken, maar ook vanwege de aanwezigheid van de hoogste televisietoren van het zuidelijk halfrond met een hoogte van 167 meter. A. geloof je het zelf; B. who cares? Al dit moois en bijzonders kan niet voorkomen dat Mt. Barker verre van interessant is. De camping is ook behoorlijk droevig en heeft betere tijden gekend. De $ 16,- die we moeten betalen is eigenlijk veel te veel voor de bende waar we tussen staan. Maar ach, we kunnen hier wel fik stoken. Dit is erg belangrijk, want het is vreselijk koud en vochtig. In de tent slapen we met het dekbed, de slaapzak en met onze kleren aan. Waar zijn we eigenlijk mee bezig?
We hebben de wekker om 6.00 uur gezet om de zonsopgang te kunnen bekijken. Je moet wel wat over hebben voor de mooie dingen van het leven. Met de thermos vol met heet water en crackers lopen we met de eerste tekenen van de nieuwe dag de heuvel op. Het is erg gaaf om de natuur wakker te zien worden. Heel langzaam wordt het licht, de verschillende vogels worden afzonderlijk wakker en er komen steeds meer kleuren. Uiteindelijk begint de hemel te kleuren. Eerst van oranje naar rood en dan naar bosband geel. Helaas zijn de vliegen ook direct present bij de eerste tekenen van de dag en hebben ze de gave om ook bij windkracht 10 te kunnen vliegen. Met honderd vliegen per persoon wordt je het leven onmogelijk gemaakt. We vluchten dus maar weer naar beneden, waar we besluiten direct te vertrekken. Met deze vliegen is er geen lol aan. Ontbijten doen we wel in de rijdende auto.

Over de gravel weg rijden we naar Blinman, waar we dezelfde mensen als eerder tegen komen. Het zijn echter alleen maar gezinnen en senioren. Waar zijn alle jongeren? We bezoeken een oude kopermijn, onze tweede alweer in Australië. Was de eerste bij Melrose niets meer dan een gat in de grond, deze was wat meer ontwikkeld met verschillende gebouwen. Interessant om dit soort historie te zien. Het is wel treurig om te zien wat er gebeurt met een dorp wanneer haar betekenis verloren is gegaan. We starten met een dirttrack van 250 kilometer die ons door hele mooie delen van de Flinders Ranges zou moeten voeren. Floor vindt dit echter helemaal niets. Zij is nog niet klaar voor het 'ruige' werk. We verschillen op dit moment van mening over wat wel en wat niet kan. We rijden via een andere scenic drive door de Parachilna Gorge. De rotsformaties, de gelaagdheid, de kleuren en de structuur: gewoon waanzinnig. Na de kloof zijn we door de Flinders Ranges en komen we uit op een asfaltweg. Hier slaan we rechtsaf, om in noordelijke richting naar Leigh Creek te rijden. We hebben namelijk nog geen zin om naar het zuiden te gaan. We merken dan dat de auto raar doet. Bij het geven van gas en bij snelheden van boven de 80 kilometer per uur, doet de auto alsof we over een 'corregated dirtroad' rijden. Het lijkt er op dat we niet genoeg vermogen hebben. Oh, oh!
De bloem van de Agave Americana wordt 8 meter hoog Dirtroad vanaf Blinman door de noordelijke Flinders Ranges

Verderop, in Copley, kunnen we kamperen en is er een garage van de RAA (ANWB), waar we de auto kunnen nakijken. Volgens de arrogante garagehouder is er iets aan de hand met de 'sparkplugs' en de 'sparkcables'. Hier hebben we nog nooit van gehoord. De geschatte kosten voor dit grapje bedragen $ 300,- Dat kan toch niet! We komen morgen wel weer terug, want hier moeten we nog maar even over nadenken. Het is tenslotte wel een automonteur. Voor de camping moeten we het belachelijke bedrag van $ 25,- betalen voor een stoffige en winderige plek. Deze camping brengt echter ook voordelen met zich mee: er zijn hier geen vliegen, we bevinden ons in een desolate omgeving en er zijn echte mannen om over onze autoproblemen te kunnen bespreken. Gezamenlijk komen we tot de conclusie dat er inderdaad wat aan de hand is met de auto. De gedeelde mening is ook dat $ 300,- wel een beetje duur is en dat de beste garageman ook wel een tandje onplezierig is. We krijgen het advies om morgen het volgende te doen: terugrijden naar Leigh Creek, waar een beperkt servicestation is gevestigd. Daar het oliefilter laten vervangen, omdat dit het probleem ook wel eens kan veroorzaken. Als dat de oplossing blijkt te zijn, dan zou dat erg fijn zijn. Zo niet dan rijden we weer terug naar Copley voor de werkzaamheden die dan blijkbaar toch nodig zijn. Was het inderdaad maar zo gemakkelijk.
Ga naar boven