BestemmingOnbekend

BestemmingOnbekend
Voor 7 uur zijn we wakker. Het is nog lekker koel en er is geen wolkje aan de lucht. De waterval naast de tent ruist vrolijk door. Na het ontbijt van koffie, thee, gebakken eieren en het verse Slowaakse brood met komijn, besluiten we dat we nog een nacht hier blijven. Het is 40 kilometer naar Blatnica, aan de voet van de Velka Fatra. Het begint al aardig warm te worden als we starten met de gele wandeling in de Gaderska Dolina. Omdat we nog niet zijn ingelopen, vinden we het nog niet verstandig om de 6 uur durende wandeling over de Tista te doen. Daarom blijven we de asfalt weg langs het ruisende water van de Gadersky Potok volgen. Er komt alleen geen einde aan. Het is ook nog eens erg warm. Na ongeveer 10 kilometer zijn we het zat. Er verandert weinig aan deze eigenlijk erg saaie wandeling. Nog veel saaier is de terugweg, omdat dit dezelfde weg is waar we over zijn gekomen. Om de een of andere reden zijn we niet de enigen. Hele Slowaakse gezinnen lopen onvermoeid verder. Zij zijn duidelijk ergens naar op weg; naar wat wij niet hebben kunnen vinden. Het voelt erg drukkend aan. Het is misschien wel ruim over de 30 graden vandaag met een luchtvochtigheid waar je eng van wordt. Het ruikt en voelt alsof we door de jungle lopen.

Op zoek naar water om in af te koelen rijden we naar Bystricka, dat even ten zuiden van Martin ligt. Dat is echter geen succes. Voor een terras in Martin vinden we het te heet en smelten we bijna weg op het parkeerterrein van de Tesco. Voor een paar Euro kopen we broodjes, beleg en sap. Klaar om terug te keren naar de camping, waar we neerploffen in de schaduw en afkoelen onder de waterval. In het café haal ik een halve liter ‘Kelt’ voor € 1,- Lezen en slapen zijn het enige dat we nog voor elkaar krijgen. Helaas maken steekvliegen onze leven aardig zuur, terwijl de bulten van gisteren door het zweten nog een extra gaan jeuken. We zijn duidelijk nog niet gewend aan de bergen en de hitte. Tegen de avond vult de lucht zich steeds verder met verse bloemkolen. Als de zon achter de bomen en de bergen is verdwenen komen de mensen op de camping weer langzaam tot leven.

We eten in het café, want waarom zouden we het ingewikkelder maken dan nodig? Floor bestelt de huisgemaakte Goulash met knoedel en ik ga voor de ‘Smažený sýr’ (gepaneerde kaas). Voor het eten en de pivo betalen we € 12,50. Helaas is de gepaneerde kaas niet te eten. Vroeger werden ze nog vers gemaakt, tegenwoordig komt het uit een pakje. Om 20.30 uur zitten we weer de tent. Met een groot glas Pivo uit het café, dat dan weer wel. We mijmeren wat over deze camping, waar de tijd sinds 1988 heeft stilgestaan. Toen zijn er landkaarten en informatieborden opgehangen. Sindsdien is er niets meer verandert. Ouderwetse, maar functionele bungalows kosten € 14,- voor een nacht. De gemeenschappelijke keuken en het douchegebouw zijn versleten en voldoen niet meer aan de eisen van deze tijd, maar schoon zijn ze zeker. Daar zorgen de twee potige vrouwen in bloemetjesjurk wel voor.

02 - Slowakije | Stefanova

Ontbijten met gebakken eieren in het zonnetje. Daarna rijden we via Parnica naar Terchova. Bij de Lidl halen we proviand voor de wandeling vanaf Stefanova, door de Dolne Diery en Nove Diery. Klauterend over ladders en treden, dalen we af in de diepte van deze twee nauwe kloven. Daar zijn we niet alleen. Slowaakse gezinnen met jonge kinderen en blije vogels met gele borst houden ons gezelschap. Het mooie weer houdt geen stand. De stralende zon maakt plaats voor een lucht vol grijswitte bloemkolen. Om de onvermijdelijke onweersbui voor te zijn, snellen we naar Stefanova. Bij het charmante pension nemen we plaats op het overdekte terras. Voor € 12,- bestellen we een bord ‘Bryndzové halušky’, het nationale gerecht van Slowakije. De basisingrediënten zijn halušky (brokjes aardappeldeeg) en bryndza (een op feta lijkende schapenkaas). Het geheel wordt meestal bestrooid met stukjes gebakken spek. En wat smaakt er beter bij een voedzame Slowaakse maaltijd dan een Pivo?
Na een wandeling is het heerlijk om de voeten te bevrijden uit de zware wandelschoenen; autorijden in blote voeten. Op de weg terug tanken we in Terchova voor € 1,52 de liter. Tussen Parnica en Turany komt er een waar noodweer naar beneden. Het zware verkeer dendert maar door. Snelheid minderen lijkt er niet bij, ook al kunnen onze ruitenwissers het niet meer aan en wordt het zicht tot het minimum beperkt. Op de camping zitten we uren in het café. Lekker buiten, onder een afdak. Het blijft maar regenen en het koelt langzaam af. Een lange broek en dikke trui worden nodig. De lucht is egaal grijs, met af en toe een flits en een daverende knal. ’s Avonds trekt de lucht weer open en wordt het weer warmer. Het signaal voor de ‘knutten’ om de aanval in te zetten en voor ons om de DEEt er bij te pakken.

01 - Slowakije | Camping Trusalova (Turany)

Rond 15.30 uur rijden we het Poolse Gieszyn binnen, waar we de grens met Tsjechië oversteken. We zijn niet de enigen. Tientallen stinkende vrachtwagens doen hetzelfde. Het resultaat is een gigantische verkeerschaos aan beide kanten van de grens. In een lange, langzaam vooruitkomende file van vrachtwagens en personenauto’s rijden we dwars door het ongelukkige T?inec. Na 30 kilometer passeren we de maar kort bestaande grens met de Slowaakse republiek. Een vignet hebben we niet nodig, want snelwegen gaan we niet gebruiken. Ze zijn bezig met een nieuwe snelweg. Geen overbodige luxe, want het dampende verkeer door Cadca staat muurvast. Groene bergen links en rechts van de weg verraden al dat we in land zijn dat rijk is aan natuurschoon. In het drukke Žilina weten we onze weg nog goed te vinden en herinneren ons weer dezelfde verkeersdrukte als twee jaar geleden. Vanaf Žilina volgen we de Váh in oostelijke richting. De Váh is een zijrivier van de Donau en de langste rivier van Slowakije. We moeten door de Kloof van Stre?no, waar zich de rivier, de spoorlijn en de hoofdweg doorheen persen, om aan de zuidkant van de Male Fatra (kleine Fatra) te komen. Daar komen we, 1.400 kilometer van huis, aan op camping Trusalova bij Turany. Voor € 10,- per nacht claimen we een mooie, ruime en vooral schaduwrijke plek. Voor € 12,- eten we in het naastgelegen café. Floor aan de goulash en ik een droge kippenbout, die niet voor herhaling vatbaar is. ’s Nachts komt er een knetterend onweer over. Heerlijk, het is vakantie.

09 - Marokko | Tamnougalt - Marrakesh (276 km)

Het is hier beduidend warmer dan in de andere plaatsen die we hebben bezocht. ’s Nachts hebben we het niet koud en opstaan is geen strafmaatregel. Helaas is de tijd wel gekomen om terug te keren naar Marrakesh, maar niet voordat we uitgebreid hebben ontbeten op het dakterras. Wederom onder een donkerblauwe, geheel wolkeloze, hemel waarin een aangename ochtendzon staat te stralen. Ibrahim komt van een arme familie uit Merzouga. Ze verdienen hun geld met dromedaris tochten door de woestijn voor de toeristen. Er zijn nu alleen geen toeristen. Om toch wat te verdienen, werkt Ibrahim noodgedwongen in Tamnougalt. Hij spreekt een beetje Engels en wat beter Frans. Hij is de beste dienstverlener van Marokko en daarom krijgt hij van ons een speciale fooi van 50 Dirham.

We rijden van de vruchtbare vallei, de dorre, kale en rauwe bergen in. Op weg naar de 1.660 meter hoge Tizi-n-Tinififft pas. Daarboven is het koud en waait het hard. In noordelijke richtingen hebben we een vrij uitzicht over de besneeuwde toppen van de Hoge Atlas. Het land om ons heen is leeg en verlaten. De afdaling naar Ouarzazate (waar-ze-zate) is lang en geleidelijk. Af en toe passeren we een oase van een paar palmbomen. Het land waar we doorheen rijden valt te omschrijven als de ‘hammada’: de steenwoestijn. Recht vooruit ligt ‘boomtown’ Ouarzazate. Het is in stad met 40.000 inwoners en er bevindt zich de grootste filmstudio ter wereld. Verscheidene bekende films werden in deze studio opgenomen. De stad wordt ook wel het "Hollywood van Marokko" genoemd. Nadat we dit hebben mogen aanschouwen klimmen we geleidelijk omhoog. Op weg naar de Tizi n'Tichka pas. Langs de weg staan tientallen kraampjes, waar speciale stenen worden verkocht. De stenen zijn doormidden gehakt. Het midden heeft op wonderbaarlijke wijze een glimmende, bijna fluoriderende kleur. De verkopers zien ons al van grote afstand aankomen en staan dan met de twee helften van deze wondersteen langs of op de weg. Ze bewegen de steen mee met de auto, zodat er maximaal wordt geprofiteerd van de kans dat we geïnteresseerd zouden raken van die glimmende jetsers. De echt wanhopigen, of doorzetter (het is maar hoe je het bekijkt), gaan midden op de weg staan. Helaas leidt onze passering steevast tot een teleurstelling. Met souvenirs kunnen wij niet zo veel en met waterverf opgeleukte stenen nog veel minder. Liever drinken wij een ‘café au lait’ op een terras, hoog in de bergen met uitzicht over het dal, waarin op de akkers de eerste gewassen al boven de grond komen en de perziken in de bloei staan. De sneeuw is sinds vorige week al aardig vermindert en de Tizi n'Tichka is inmiddels geheel sneeuwvrij. In Taddert stoppen we voor de lunch en worden we herkend in het restaurant waar we op de heenweg ook hebben gegeten. Vrienden voor het leven is het resultaat. Op de gezamenlijke foto en beloven om ooit weer eens terug te keren.

De lange afdaling door het rommelige landschap naar Marrakesh gaat lekker snel. Het wordt drukker op de weg en dan rijden we door een poort. Blijkbaar niet de poort waarvan we denken dat we in zijn gereden, want we komen niet uit waar we uit willen komen. Als we driekwart van de Medina rond zijn gereden, herkennen we het gebied bij de Jemaa el Fna. Het is er lekker chaotisch en we moeten de concurrentie aangaan met taxi’s, bussen, auto’s, scooters, fietsers, ezels en voetgangers. Gewoon doen zoals de rest en dan komt het allemaal goed. Zonder schade bereiken we het kantoor van Budget, waar we de auto weer achterlaten. De totale kosten voor het gebruik van deze auto bedragen € 260,-. We hebben er een hoop plezier van gehad. Vanaf een koffieterras in de buurt gaan we op zoek naar een hotel voor de laatste nacht in Marrakesh. Tegenover het terras ligt ‘Hotel des Voyageurs’, waar we voor 220 Dirham een kamer krijgen. De kamer is schoon, maar aan het onderhoud van de kamer, lijkt met het vertrek van de Fransen een einde te zijn gekomen.

08 - Marokko | Tamnougalt

Ontbijten doen we op het zonnige dakterras van hotel Chez Jacob. Beneden rijden de mensen op hun ezels naar hun akkers in de oase. Chez Jacob serveert het beste ontbijt dat wij in Marokko hebben mogen ontvangen: schaaltjes vol verse jam en honing om de pannenkoeken mee in te smeren en op koffie en thee wordt niet bezuinigd. Hierna zijn we klaar voor een wandeling door de omgeving. De lemen bebouwing van ksar Tamnougalt is deels ingezakt en ingestort. Het is een doolhof door poorten, kleine hoekjes en loze ruimten. Sommige huizen zijn nog bewoond. Dat is te zien aan het elektriciteitskastje naast de poort of deur. Het is aan de façade niet te zien wat er aan de andere kant gebeurt, hoe groot de woning daar achter is. Achter een ingezakte muur kan best een paleis schuil gaan! We staan in een ruïne zonder dak, terwijl er achter een venster muziek klinkt. Roedels honden zwerven door de stoffige straten. Ezels vervoeren de mannen en vrouwen van Tamnougalt naar hun akkers in de oase langs de Oued Draa, met 1.100 km de langste rivier van Marokko. De akkers zijn met lemen muren van elkaar gescheiden. Veel mensen hebben hun akker afgesloten met een deur van hout, blik of elk ander materiaal dat voorhanden is. Een uitgebreid netwerk van irrigatiekanalen distribueert het water van de rivier naar de individuele akkers. Overal staan de multifunctionele dadelpalmen, die naast voedsel ook brandhout en bouwmaterialen leveren. Men is er dan ook erg zuinig op. De enige dadelpalmen die worden gekapt, zijn de palmen die geen dadels geven. De dode bladeren worden voortdurend verwijderd en dienen als brandstof. In sommige palmen hangen nog dikke trossen dadels. Het overgrote deel van de mensen is ontspannen en vriendelijk. Een paar vieze kinderen bedelen om ‘bonbon, stylo, dirham’. Negeren werkt. Het blijft gelukkig een uitzondering. Het overgrote deel van de kinderen begroet ons enthousiast met een bonjour, een lach en een zwaai.

Het is een mooie dag met een bijna donkerblauwe lucht. De dreigende, kleurloze lucht van de vorige dag is verdwenen. Het landschap is een beetje surrealistisch. De half ingestorte en ingezakte bruin lemen bebouwing contrasteert enorm tegen de diep blauwe lucht. De wuivende palmen met hun diepgroene kleuren en de bloesemdragende pruimen vormen de voorgrond. Op de achtergrond staan de rood-paars-bruine kliffen van de Jebel Sarhro. Duizenden vogels noemen dit lustoord hun huis en laten dit met luid gekwetter aan iedereen weten. Als er zo iets is geweest als de ‘Hof van Eden’, dan zal de aanblik daarvan niet veel hebben afgeweken van het plaatje waar wij nu onderdeel van zijn.

Tamnougalt bestaat uit vier, volledig uit leem opgetrokken ‘ksars’, die langzaam inzakken en tot stof aan het vergaan zijn. De laatste jaren is er een nieuwe kern ontstaan. Hier geen gebruik van leem, maar karakterloze lage betonnen gebouwen. De inwoners van Tamnougalt trekken echter graag naar deze woningen, omdat de oude lemen huizen te veel reflecteren aan armoede. Tamnougalt is ontstaan langs de karavaanroute tussen Timbuktu en Marrakesh. De bouwstijl was er op gericht bescherming te bieden tegen het extreme klimaat van de Sahara en als verdediging tegen indringers van alle soorten en maten. De eerste ‘ksar’ was bestemd voor de belangrijke bewoners, die zich rond de versterkte ‘kashba’ vestigden. De tweede kern was bestemd voor de arbeiders en de slaven. De kooplieden hadden hun eigen ‘ksar’, net als de Joden. De karavaanroute liep er dwars doorheen. Naar het schijnt werden hier in de jaren vijftig van de 20e eeuw nog slaven verhandeld, die waren geroofd uit de zuidelijke delen van de Sahara. Wij vinden het hier erg fijn en bijzonder. Het is een plaats met een indrukwekkende ligging en een vriendelijke bevolking. De vrouwen hier worden echter geacht niet in aanraking te komen met andere mannen. We komen ze dan ook niet tegen, behalve dan op grote afstand op de velden. De huizen zijn ook zo ontworpen dat de gasten niet in aanraking kunnen komen met de vrouwen van het huis.

07 - Marokko | Merzouga - Tamnougalt (289 km)

Om 6.00 gaat de wekker. Opstaan, aankleden en de koude woestijnnacht in. Op tijd om de zonsopgang te kunnen bekijken. Voordeel van Nasser Palace is dat het direct aan de voet van de zandduinen ligt; ver lopen is dus niet nodig. De blauwroze hemel vormt het canvas voor de zwarte silhouetten van de zandduinen en de palmbomen. Een paar Marokkaanse toeristen rijden op een dromedaris tegen de hoogste duin op. In de oase beginnen de vele vogels te kwetteren. Een nieuwe dag is aangebroken. Het is lang niet zo koud als dat het in Zouala was, misschien komt dat doordat Zouala aan de voet van de besneeuwde toppen van de Hoge Atlas ligt. Op de kantelen van het paleis hotel wordt het ontbijt geserveerd. Uitkijkend over de zandduinen van de Erg Chebbi en het grote zwembad op de binnenplaats van het lemen hotel. Een bizar contrast, vooral in vergelijking met de naastgelegen stoffige en armoedige plaatsen Merzouga en Hassilabied.

We rijden de bijna 30 kilometer terug naar Rissani. Dan slaan we af op de N12 richting Zagora. De lucht is strakblauw en het is warm. Voor het eerst zitten we alleen met een T-shirt aan in de auto. Het land waar we doorheen rijden is indrukwekkend leeg. De ondergrond bestaat uit kiezels en keien. De lemen dorpen van de Tafilalt hebben we achter ons gelaten. De zeldzame gebouwen die we nu passeren zijn van steen en beton. Ander verkeer is er bijna niet. Af en toe komt er een afgeladen bestelbus voorbij gereden. Links en rechts liggen kale, rauwe bergruggen met verticale aardlagen. Het landschap doet ons erg denken aan de Australische leegte. Een tijdje rijden we achter een busje, waarop iemand gratis lijkt mee te liften. Dan gooit hij zijn sigaret weg en stapt de rijdende bus weer in. Wacha, wacha, hij was gewoon even naar buiten gestapt om een peuk te roken. Het landschap is erg fotogeniek. Dan weer helemaal kaal, met fantastische vergezichten op de rauwe bergen die zich van het westen naar het oosten uitstrekken. Her en der in het landschap staan solitaire bomen, als zouden we over een savanne rijden. Olifanten, zebra’s, leeuwen en giraffen zouden in dit landschap niet misstaan. Helaas zijn deze dieren hier allang uitgestorven en beperkt de fauna zich tot dromedarissen en ezels.

In Tazzarine drinken we langs de weg een kopje koffie en thee, die ons door een doortrapte man wordt geserveerd onder het uitroepen van ‘allemachtig prachtig, een dag niet gelachen is een dag niet geleefd’. Subtiel begint hij een gesprek over et toerisme in het algemeen en de Nederlanders in het bijzonder. Vooral ook over de studenten Geologie en mensen die hij kent van diverse internationale beurzen en exposities over fossielen. ‘Heb ik al verteld dat ik met mijn foto in een boek sta? Ik ben een beroemdheid!’ ‘Heb ik al verteld dat ik een winkel heb? Ik zal jullie eens vertellen hoe je echte fossielen kan herkennen. Even wachten, ik zal wat voorbeelden daarvan uit mijn winkel pakken.’ Het is erg jammer dat de Marokkanen altijd iets van je willen. Zomaar een onbaatzuchtig gezellig praatje kun je eigenlijk vergeten. Er moet geld aan je worden verdiend.

In Transihkt sluit de N12 aan op de N9. Dit is de weg die door de Draa vallei loopt, die wij voor 20 kilometer in noordelijke richting volgen. Het waait stevig en het is zelfs bewolkt. Bij nader inzien blijkt het een stofstorm te zijn die door de vallei blaast. Alle kleur is uit het landschap verdwenen. Tamnougalt is een uitgestrekte ‘ksar’ aan de rand van het palmbos van de Oued Draa. Dit is misschien wel de meest spectaculaire en bijzonder ksar van de omgeving. Het dorp was ooit de hoofdstad van de streek. Nu is het een rommelige verzameling lemen bouwwerken. Over een zandweg rijden we door de poort van de ‘ksar’ en parkeren onze auto voor hotel ‘Chez Jacob’. Het is een authentieke lemen versterkte woning van 500 jaar oud. Voor 450 Dirham krijgen we een ruime, koele kamer met douche en uitzicht over het palmbos. Het ontbijt en avondeten zijn bij de prijs inbegrepen. We zijn de enige gasten. De service is de beste die we in Marokko hebben mogen ontvangen. Onze gastheer heet Ibrahim en hij zorgt er voor dat het aan ons niets te kort komt. ‘This is your house, saha!’

Vanaf het dakterras kijken we uit over het palmbos en de tot ruïnes vergane lemen bouwwerken. Na de onvermijdelijke ‘berber whisky’ maken we een rondje door de indrukwekkende ruïne van de ‘ksar’. Buiten, op het pleintje voor het hotel, staat een donkere Marokkaan die ons graag wil rondleiden in de naastgelegen, gerestaureerde Kashba. Alleen vandaag geopend, dus als we slim zijn gaan we met hem mee. Niet dus, want we zijn net aangekomen en willen graag eerst zelf ontdekken waar we zijn. Morgen is er weer een dag, Inshallah. De beste man achtervolgt ons, want die ziet zijn wandelende ATM al als sneeuw voor de zon verdwijnen. In één van de vele geheime vakjes binnen de ksar verstoppen we ons. We horen hem passeren, wachten nog even en als de kust weer veilig is gaan we verder met onze eigen ontdekkingstocht. 1-0 voor de toerist. Al dwalend komen we in een andere ‘ksar’, waar we worden uitgenodigd voor een onbaatzuchtig kopje ‘Berber Whisky’. In de rijk gedecoreerde eetzaal van Chez Jacob wordt om 19.00 uur het diner door Ibrahim geserveerd. Niet alleen heeft dit hotel de beste service, ook de beste bediening en naar nu blijkt ook het beste eten van heel Marokko. Het diner bestaat uit een salade, tajine met omelet, couscous met kip en groenten en een toetje van ijs en fruit.

06 - Marokko | Zouala – Merzouga (102 km)

Ontbijten doen we met pannenkoeken en honing. De koffie en thee worden geserveerd in mooie, glimmende kannen. De warme melk komt apart. Buiten staat onze auto met het ijs op de ramen te wachten op de eerste zonnestralen die over de rand van de kloof komen. Onder de bomen staat nog één ezel te wachten. De andere is al vroeg vertrokken naar de velden. Zaïd raadt ons aan om in Merzouga te logeren in Nasser Palace. We vervolgen onze weg door de Tafilalt oase in zuidelijke richting, waarbij we het water van de Oued Ziz blijven volgen. Kleine wegen voeren ons door kleine dorpen met lemen huizen. Het leven hier lijkt tijdloos te zijn. Het palmbos blijft dichtbegroeid, maar de kloof opent zich langzaam. De wanden worden lager en komen verder uit elkaar te liggen. De weg voert over een kale, nietszeggende vlakte, naar het van fantasieloze hotels vergeven Erfoud.

Na Erfoud neemt het landschap indrukwekkende vormen aan. Tussen de palmbomen en de beginnende zandduinen liggen de restanten van in meer of mindere mate ‘gesmolten’ lemen dorpen en ‘kashba’s’. De kasba of kashba is het verdedigbare deel van de medina. Het gebouw kenmerkt zich door hoge muren. Vroeger werd deze gebruikt als woning voor het dorpshoofd. Rissani blijkt een drukke bedoening te zijn, waar een ‘souk’ wordt gehouden. Het is er een drukte van belang. Auto’s, ezels, karren, kramen, mensen met en zonder handelswaar, bussen. Alles gaat dwars door elkaar en wij rijden ons zelf bijna vast in deze chaos. Heel anders is de route rond Rissani, die ons van de ene indrukwekkende ‘ksar’ naar de andere leidt. Een ‘ksar’ is een versterkt dorp van een specifieke stam. Het zijn massieve bouwwerken die bij gebrek aan ander materiaal zijn opgetrokken uit klei van de rivieroevers (pisébouw). Deze unieke en waarschijnlijk inheemse bouwwerken van de Berbers zijn vaak monumentaal en de buitenmuren en de schuine torens zijn prachtig versierd met krachtige reliëfs en schilderingen van geometrische patronen. De lemen dorpen liggen in een uitgestrekte oase, maar de dichtheid van de palmen is lang niet zo groot als in de Ziz-vallei. De meeste vrouwen in dit meest zuidelijke deel van de Tafilalt, dragen een alles bedekkende zwarte sluier, waaronder alleen de ogen nog net zichtbaar zijn.

Voorbij de oase van Rissani zien de roodbruine zandduinen van Erg Chebbi opdoemen. Een ‘erg’ is een zandzee of een binnenlands zandduingebied dat groter is dan 125km². Deze ‘erg’ is zeker niet de grootste van de Sahara, maar wel heeft het indrukkende zandduinen van 150 meter hoogte. Over een verharde weg rijden we naar de voet van de zandduinen. Naast de hoogste zandduinen ligt Nasser Palace. Een ‘over-the-top’ uit leem opgetrokken paleis met een zwembad binnen de kantelen. We hebben het complex geheel voor ons zelf. Niet dat dit ons heel veel kan schelen, want we zijn meer geïnteresseerd in de beklimming van de hoogste duin. Vanaf de top kijken we in oostelijke richting uit over Algerije. Tussen hier en de Nijl, 5.000 kilometer verderop ligt alleen maar zand, gruis en stenen. Welkom in de Sahara.

Langzaam zakt de zon naar de westelijke horizon. Het zand kleurt naar rood, paars en bruin. De schaduwen worden langer, waardoor er nog meer zandduinen in de zee van zandduinen zichtbaar worden. Om 20.00 uur is het geheel donker en straalt Nasser Palace ons tegemoet. Het is verlicht als ‘Porno Palace’. Ook al zijn we de enige gasten, toch is men vergeten voor ons te koken. Ze doen echter hun uiterste best om het goed te maken. In het restaurant krijgen we eerst thee en wordt speciaal voor ons een CD met Ciline Dion en Mariah Carrey opgezet. Vanzelfsprekend ook een tandje te hard. Een warm gevoel ontstaat van binnen, want wie zou er nou niet genieten van die muziek, als je ook zou kunnen genieten van de stilte van de woestijn? Het diner bestaat uit drie gangen: soep, gemengde salade en een tajine waar een elders gegaarde kip is gelegd. Erg bizar om de enige gasten te zijn in een paleis dat prima had kunnen figureren in de verhalen van 1001-nacht.

05 - Marokko | De Tafilalt-oase

Bedekt door vijf dikke wollen dekens hebben we de koude nacht doorstaan. Om acht uur staan we ons buiten in het zonnetje op te warmen, die aan de strakblauwe hemel staat te stralen. Om 8.30 uur worden we naar binnen geroepen voor het ontbijt van pannenkoeken, brood, jam en honing. Het lukt de eigenaar niet ons een gids aan te smeren. De vallei willen we vandaag graag zelf verkennen. We volgen de smalle paadjes door de oase in noordelijke richting. Het leven is nog niet op gang gekomen. Over kleine paadjes lopen we door het palmbos, langs kleine akkers die worden bewaterd met een ingenieus irrigatiesysteem. Via kanalen en goten van leem en stenen, wordt het water van de Oued Ziz door de oase geleid. Met stenen en leem worden openingen afgesloten om de stroom te leiden. De ochtend is al ver gevorderd als we meer mensen beginnen tegen te komen. Per ezel verplaatsten ze zich door de oase. Een familie is druk met de olijvenoogst. Met stokken slaan ze op de takken, zodat de olijven op de grond vallen. Ze worden verzameld om er olie van te kunnen maken. Na met de mannen (de vrouwen blijven lacherig op afstand) een ‘berber whisky’ te hebben gedronken, lopen we weer verder.

De oase Tafilalt is met 150 km2 de grootste oase van Noord-Afrika. Er staan meer dan 100.000 dadelpalmen. De rivieren Gheris en Ziz leveren het water dat landbouw in deze streek mogelijk maakt. De Tafilalt was eeuwenlang het belangrijkste Marokkaanse eindpunt van de karavaanroutes, zoals de beroemde Zoutroute naar Timboektoe. Tegenwoordig bestaat de bevolking van de Tafilalt uit kleine boeren. De mensen hier zijn mooi en vriendelijk. De ouderen hebben verweerde, karaktervolle gezichten. De vrouwen dragen een hoofddoek, maar de kleding is kleurig en vrolijk. Alleen door het ontbreken van waterbuffels en door de rode rotswanden die boven het palmbos uitsteken, wordt bevestigd dat we niet in Laos zijn. Het plaatje is verder bijna gelijk aan Don Det in het zuiden van Laos. Het water van de Oued Ziz doet niet vermoeden dat we ons in de Sahara bevinden. Het leven in deze vruchtbare oase lijkt geen vervelend leven te zijn. Er is genoeg water en de vallei biedt beschutting tegen de enorme hitte en stofstromen van het plateau hierboven. Verder valt er van een ongelimiteerde hoeveelheid dadels te genieten. In de oase blijkt het relatief koel en is er schaduw. Nu is het midden in de oase aangenaam warm, maar tegen de rotswand wordt het heet. Zomers brandt de zin al het leven uit de steenwoestijn hierboven.

’s Middags rijden we met de auto over de verharde weg die in noordelijke richting door de kloof loopt. We passeren een paar dorpen met lemen huizen waar een ‘salaam’ of ‘bonjour’ bij iedereen een lach doet ontstaan. De weg loopt langzaam naar boven, tot we het lege plateau bereiken waar niets je doet vermoeden dat we ons een direct boven een vruchtbare vallei bevinden. We rijden naar Meski, naar de bron van de Oued Ziz, waar we in een pension annex restaurant hartelijk worden ontvangen en een omelet voorgeschoteld krijgen. We kijken daarbij uit over de ruines van een oude vesting: ‘ksar Oulad Aissa’. Wij dalen weer af in de kloof, waarbij we 5 Dirham moeten betalen om de camping en het zwembad naast de bronnen van de Oued Ziz te mogen betreden. Ook worden we uitgenodigd voor een kopje thee zonder verplichtingen in een tapijtshop. Als we deze uitnodiging afslaan, wordt ons diep beledigd gevraagd of we dan misschien kleding of iets tegen hoofdpijn nodig hebben. Liever lopen we een stukje door de velden van dit deel van de oase, waarin mensen staan te werken en ezels staan te wachten, zoals alleen ezels wachten kunnen. Ibissen (witte reigers) staan maar een beetje te staan en duizenden mussen, mezen en vinken bevolken de bomen en het riet.

Vanaf de ruïnes van de indrukwekkende Oulad Aïssa, kijken we uit over het surrealistische landschap van de Tafilalt. Op de rand van de kloof staan de silhouetten van een kudde dromedarissen. De achtergrond wordt gevormd door de kale bergen van het Atlas gebergte. Op het uitzichtpunt boven ons dorp drinken we een glaasje thee met de eigenaar van ons guesthouse. Hij spreekt Engels, Frans, Arabisch en Berber, wat het hebben van een echt gesprek vergemakkelijkt. Wij vragen ons af hoe het kan dat er geen andere toeristen zijn. Dit komt doordat we net de dip voor het hoogseizoen te pakken hebben, dat volgende maand begint. Omdat we inmiddels hebben geleerd dat het gebruik van ‘Inshallah’ de beste manier is om gezeur over toertjes te beëindigen, is dat nu ook snel afgelopen. Het komt zoals het komt, vandaag is vandaag en morgen is weer een nieuwe dag. Hij vindt dat wij bijzondere toeristen zijn. Reizigers eigenlijk, omdat we willen begrijpen waar we zijn, wie we tegenkomen en het liever op onze eigen, zelfstandige en tikkeltje eigenwijze manier doen. In deze balans is het onbaatzuchtig gezellig.

Het avondeten wordt geserveerd in de grote ruimte vol kleden, tapijten en schalen. Dit keer eten we couscous met kip, wortel, witte wortel en courgette. Deze couscous is ‘very wacha’, wat Berber is voor ‘OK’. Na het eten worden we uitgenodigd bij het kampvuur, waar grappen worden gedeeld en thee wordt geschonken, die met de klok mee wordt geserveerd. Hoe krijg je in drie stappen een dromedaris in een koelkast vraag Zaïd? Je opent de koelkast, je duwt de dromedaris er in en dan sluit je de deur. Hoe krijg je dan een olifant in vier stappen in die koelkast? Je opent de koelkast, je laat de dromedaris er uit, je duwt de olifant er in en dan sluit je de deur. Vraag nummer drie ging over een bruiloft van een leeuw, waar alle dieren op eentje na aanwezig waren. Welk dier ontbreekt er op de bruiloft? De olifant natuurlijk, want die zit in de koelkast.

04 - Marokko | Skoura - Zouala (291 km)

Het is hier stil en koud. We hebben de wekker gezet om 7.30 uur, om van de mooie ochtend te genieten. De besneeuwde toppen van de Hoge Atlas vormen de achtergrond van het palmbos van Skoura, met daartussen verspreid staande lemen huizen. Het ontbijt bestaat uit brood, pannenkoeken en verse jus d’orange. Tussen de vier torens van ons privé kasteel genieten we van het uitzicht over de oase en de witte bergen. In plaats van direct weer te vertrekken, laten we ons begeleiden door de uitgestrekte oase van Skoura. Ons gids is de broer of de neef van de eigenaar van de kashba. Maar misschien ook wel de ‘patron’, wat dat ook mag betekenen. Hij spreekt alleen Frans, maar toch denken we het verhaal goed te kunnen volgen. In de oase van Skoura wonen 30.000 mensen. Dit zou je op het eerste gezicht niet zeggen, maar vanaf een uitzichtpunt kunnen we goed zien hoe uitgestrekt de oase is. Het is een grote groene rechthoek met daartussen een brede rivierbedding, midden in een voor de rest leeg, rood-bruin landschap. Bijna alle gebouwen zijn gemaakt van een mengel van leem en stro. Een deel wordt onderhouden en is bewoond. Een ander deel vervalt langzaam tot stof. De rechte stammen van de dadelpalmen vormen ideale basis voor de constructies.

Ook vandaag is de lucht weer blauw. Er is geen wolkje te bekennen. In onze kleine grijze auto rijden we over kleine zandwegen. Door akkerland, waar maïs, aardappelen, koriander en tomaten worden verbouwd. De palmeria is een collectief stuk van de oase, waar de bewoners dadels kunnen oogsten. Het mag dan in handen zijn van het collectie, het hangt van de familie af hoeveel je er van mag gebruiken. Verspreiding van ziekten wordt tegengegaan door het verbranden van de zieke dadelpalmen. Een lange rij met diepe gaten in de bodem, blijkt te duiden op een 20 kilometer lang ondergronds kanaal, dat water vanuit de bergen naar de oase leidt. Het kanaal is helemaal met de hand gegraven en al minimaal 2.000 jaar oud. Onze tour van ruim 2 ½ uur, wordt afgesloten met de verplichte ‘Berber Whisky’, oftewel zoete muntthee. Ook al hebben we de gids geregeld via ons hotel en hebben we duidelijk aangegeven verder niets te willen, toch kunnen ze het niet laten ons de thee op te dringen in de lokale tapijtshop. Heel toevallig ook weer een neef, oom of wat dan ook van de gids. Het is niet zo maar een tapijtwinkel, het is er een waar we echt niet iets hoeven te kopen. De gastvrijheid is het enige dat telt. Maar heb ik je al verteld waar onze tapijten vandaan komen en dat ze heel voordelig zijn. Hier, ik zal je er een paar voorbeelden van laten zien, enz. Na 15 minuten staan we weer buiten. Zonder tapijt, want wij hoeven geen tapijt en ook geen sieraden, dolken of een mooi boek. We hoeven eigenlijk helemaal niets. We betalen onze gids 150 Dirham voor de tour door de oase, danken hem vriendelijke en zeggen gedag.

Om 12.30 uur rijden we verder. Het is een lange en vooral erg indrukwekkende route door een kaal en droog landschap. In het noordwesten vormen de besneeuwde toppen een langzaam veranderend panorama. Tussen Boulmalne du Dades en Tinghir neemt de dichtheid aan bebouwing toe. Lemen huizen worden afgewisseld met clusters betonnen laagbouw, shopjes en werkplaatsen. Tussen deze lelijkheid staat enige tientallen vervallen en minder vervallen kashba’s, waar deze route haar naam aan heeft ontleent. Na Tinghir rijden we verder naar het oosten, naar Er Rachidia. De bergen in het noorden worden lager. De besneeuwde toppen hebben plaatsgemaakt voor een roodbruine, rauwe kartelrand. De bergketen ten zuiden van ons, waar we al sinds Ouarzazate langsrijden, verkruimelt langzaam tot niets. Af en Het monotone landschap wordt af en toe onderbroken door een oase vol dadelpalmen. Na Goulmima rijden we door een uitgestrekte, grint en kiezel woestijn. Deze monotonie wordt onderbroken door de zoveelste politiepost, waar we om onduidelijke redenen langs de kant van de weg stil moeten staan. In een mengelmoes van Frans en Arabisch krijgen we de ene uitbrander na de ander, afgewisseld met namen van Nederlandse voetballer en hartelijk gelach. We snappen er niets van. Waar we naar toe gaan, is de vraag. Als we zeggen dat we naar Er Rachidia onderweg zijn, leidt dit weer tot een hoop gelach. Regelmatig valt het woord ‘Fraction’. Een woord dat we niet kennen. Plotseling mogen we doorrijden. Dit was een bijzondere combinatie van gezag en gelach.

Voorbij het uitgestrekte Er Rachidia, waar zelfs stoplichten zijn, rijden we over een rode vlakte met niets. De totale rode leegte is indrukwekkend. Als we een punt moeten noemen waar de Sahara begint, zou het hier zijn. Plotseling ligt er een gapende kloof die het rode plateau opensplijt. De kloof strekt zich uit naar alle kanten en is gevuld met een groene waas van miljoenen dadelpalmen. Dit is de Ziz vallei: een route vol weelderige en verrassend fotogenieke landschappen. Wij nemen de afslag naar Zouala en dalen af naar de bodem van de vallei. Daar nemen we onze intrek in een traditioneel Berberhuis, voor 200 Dirham per persoon. Dit is inclusief ontbijt en diner. We zijn de enige gasten in dit grote huis. We worden gastvrij ontvangen en komen niets te kort.

03 - Marokko | Marrakesh - Skoura (243 km)

Nadat we hebben ontbeten op het dakterras, met uitzicht over de medina tegen een achtergrond van de besneeuwde toppen van de Hoge Atlas, lopen we in het zonnetje naar Budget in Ville Nouvelle. Mevrouw Budget zit een boekje te lezen in de zon. Om 10.15 uur komt de Suzuki voorgereden. Om discussie bij het terugbrengen te voorkomen maken we foto’s van de buitenkant. Dan zijn we klaar om te vertrekken. Het verkeer is chaotisch en men rijdt nogal creatief. Het verkeer bestaat uit auto’s, fietsers, scooters en ezelkarren. Niet zelden wordt er tegen het verkeer ingereden. We rijden achter een vrachtwagen met olijfbomen. Vanaf Marrakesh is het een kaarsrechte weg door een rommelig landschap vol acacia’s en dadelpalmen en hier en daar een omheinde woning of een resort. De witte toppen van de Hoge Atlas schitteren ons tegemoet. Langzaam beginnen we te beklimmen, eerst maar een beetje en dan steeds duidelijker en steiler. Het land is rood en droog. De regen heeft diepe groeven achtergelaten in de voedselarme rode leembodem. Na Touama beginnen het serieuze klimmen. Het land is ruig en de weinige dorpen zien er armoedig uit. Geplakt tegen de helling en met de kleur van de bodem, vallen ze weg tegen de achtergrond.

De N9 is de hoofdroute over de Atlas. De verbinding tussen de vruchtbare en dichtbevolkte kustgebieden en de Sahara. Het aantal vrachtwagens dat langzaam omhoog kruipt is groot. Het toenemende aantal haarspeldbochten en het ruiger wordende terrein maakt deze rit erg boeiend. Hoger dan 1.650 meter passeren vieze en versleten nederzettingen. In Taddert is het een grote chaos, maar wel een chaos waar we stoppen voor de lunch. We eten tajine op een buitenterras boven een bergrivier en met uitzicht op de schitterende witte toppen. Daarna wordt het ernst. Voor de 2.260 meter hoge Tizi n’Tichka pas is een recordaantal haarspeldbochten gebruikt. We rijden inmiddels door de versgevallen sneeuw, waarin een bus van de weg is geraakt. Na de pas dalen we af naar de Sahara, terwijl we nog geruime tijd tussen de sneeuw rijden. De rauwe, kale bergen zijn paars, rood en bruin. Ook aan deze zijde van de bergen hebben de nederzettingen dezelfde kleur als de omgeving. De weinige vegetatie bestaat uit bloeiende cactussen en in de rivierbedding dadelpalmen en een soort riet.

Ouarzazate is een grote stad en de poort tot de Sahara. Het duurt even voor we er door zijn, maar dan rijden we over de N10 in noordoostelijke richting. Dit is de zogenaamde ‘Route des Kashbahs’ door de Vallee des Dades. Ongeveer 30 kilometer oostelijk van Ouarzazate komen we door Skoura: een stoffige straat met stoffige betonnen gebouwen. Op het eerste gezicht weinig boeiend. We slaan af op een ‘piste’ (zandweg) en komen uit bij Kashbah les Nomades. Het is een lemen kasteel/fort, waar we voor 150 Dirham een torenkamer krijgen. Omdat er verder geen gasten zijn, kunnen we concluderen dat we overnachten in een privé kasteel. Voor 70 Dirham per persoon kunnen we hier ook eten. Ons wordt een geweldig lekkere tajine voorgeschoteld van mals lamsvlees met daarop een omelet met koriander. Wauw, dat is genieten. Omdat de woestijn in januari nog erg afkoelt, staat er op tafel een straalkachel. Op het bed leggen we vier dekens, maar dat weerhoudt Floor er niet van om al kleren voor de zekerheid ook maar aan te houden.
Pagina 5 van 29
Ga naar boven