BestemmingOnbekend

BestemmingOnbekend

02 - La Palma | Barranco de la Galga

Wat een stilte ’s nachts. Wat missen we dat thuis. Wakker worden door de vogels, hanen en andere natuurlijke geluiden. Zo veel beter dan gejank en gestamp. Ontbijten op het dakterras als de eerste zonnestralen om 8.30 uur over de bergen komen. We rijden naar de supermarkt in Los Llanos, waar het tempo een heel stuk lager ligt dan wat we in Nederland acceptabel zouden vinden. Als de rekening hoger is dan het bedrag dat de klant nog in de portemonnee heeft, ga je net zo lang door met het innemen van artikelen tot de rekening wel kan worden betaald. Wel met de nodige administratie tot gevolg, want elke teruggenomen artikel wordt apart geadministreerd. Over de LP1 rijden we vervolgens met de nodige haarspeldbochten naar Mirador El Time, waar we vanaf grote hoogte uitkijken over het brede Aridane dal. We genieten van een kopje koffie in de zon, met uitzicht op de blauwe zee. Het weer op La Palma is beter dan we hadden gedacht.

We volgen de kustroute in noordelijke richting. Het landschap en de uitzichten zijn verrassend afwisselend. We rijden op grote hoogte boven de Atlantische Oceaan. De bebouwing en bewoning wordt schaarser. De weg heeft honderden bochten en we aan omhoog en weer naar beneden. We rijden door groene bossen vol met Canarische dennen. In het noorden komen we langs drakenbomen. De uitzichten zijn onveranderd fantastisch. In het noorden jagen wolken omhoog tegen de Caldera de Taburiente. De bebouwing en bewoning bereikt een piek in Los Sauces in het uiterste noordoosten van het eiland. Hier is de lucht grijs en het klimaat minder fijn. Tussen Los Galguitos en La Galga stoppen we voor een wandeling door de Barranco de la Galga. In het vochtige noordoosten van het eiland zijn de kloven erg bijzonder, omdat ze als een jungle vol staan met laurierbomen en een onderbegroeiing van varens. Door de passaatwinden is het aan deze kant van het eiland eigenlijk altijd nat en bewolkt. Dit resulteert in kloven als deze vol weelderige vegetatie tussen de laaghangende bewolking. De wandeling krijgt daardoor de nodige sfeer mee. Doordat we lopen tussen de wolken ontgaat het ons dat we in een nauwe kloof met hoge steile kliffen bevinden. We zijn niet onder de indruk van de bewegwijzering van de route. Ondanks twee kaarten en de bewegwijzering hebben we geen idee waar we ergens zijn en hoe de route loopt die we aan het volgen zijn.

Na de wandeling rijden we naar Santa Cruz, waarna het nog 45 minuten is naar Los Llanos. In El Paso stoppen we bij de grote supermarkt. Vanavond eten we zelfgemaakte pasta. De kosten van de boodschappen zijn aan de lage kant, mits je oplet dat je geen merkartikelen pakt. Daar loop je dan weer aardig op leeg. Onze conclusie van vandaag is dat het eiland zeer divers is, de reisafstanden lang zijn (ondanks de korte hemelsbrede afstanden), de mensen relaxed en het klimaat bijzonder aangenaam.

01 - La Palma | Amsterdam - La Palma

We hebben de wekker gezet om 2.45 uur. We worden om 3.30 uur door een taxi opgehaald in deze koude winternacht. Buiten is het 6 graden onder nul. Voor € 55,- hebben we op Internet een ticket gekocht voor deze toch wel erg comfortabele wijze om naar Schiphol te komen. Om 4.00 uur komen we aan op Schiphol. We zijn niet de enigen die wachten op een vroege vlucht naar de zon. Inchecken hebben we al via Internet gedaan. Ruimbagage hebben we niet. Erg handig van Transavia, met wie wij voor € 250,- per persoon vliegen naar Santa Cruz de la Palma. We hebben vier keer gecheckt of we wel de juiste La Palma hebben, want je wil niet per ongeluk op Majorca of Gran Canaria terecht komen. De reizigers naar de juiste La Palma zijn eenvoudig te herkennen aan de wandelschoenen die zij dragen. ‘La Isla Bonita’ is tenslotte een wandeleiland. Om 5.00 uur kunnen we boarden op de achterste gate van pier D. Kunnen we vast inlopen denken we maar. Onze zitplaatsen voorin het vliegtuig hebben we al bij het inchecken geclaimed. Voordat we kunnen opstijgen, taxiën we om 6.00 uur naar een hoek van Schiphol, waar het vliegtuig met ‘antivries kanonnen’ wordt ontdaan van het ijs op de vleugels.

De nacht is helder. De Randstad zien we duidelijk liggen. De splitsing van de A12 bij Gouda en dan de grote aaneengesloten lichtvlek van Rotterdam en Den Haag. De Zeeuwse eilanden zijn donkere vlekken, waarna de stedenband Antwerpen, Gent en Brugge zichtbaar wordt. Daarna wordt het onder ons donker en blijft het donker tot we vier uur later bij La Palma in de buurt komen. Er hangt een dicht wolkendek aan de westelijke zijde van het eiland. Dit is de kant waar we landen op het vliegveld Santa Cruz de la Palma. Het is prettig dat de piloot beter weet dan wij waar de landingsbaan begint, want zo laag boven zee aan komen vliegen is en blijft een kwestie van vertrouwen van de passagiers. Uit het gelande vliegtuig stappen we in de gereedstaande bus. Het water op de vloer van de bus doet een van de passagiers uitroepen: ‘ik dacht even dat dit gesmolten sneeuw was!’ Gelukkig is dat niet het geval. Het is hier een heel stuk aangenamer dan waar we net vandaan komen. Laat de zomer maar komen. Reizen binnen Europa en met alleen maar handbagage heeft grote voordelen. We hoeven nergens op te wachten en kunnen in de aankomsthal direct naar de balie van Hertz lopen. Aan de balie is er veel gedoe over de voorwaarden, of over de interpretatie daarvan. Wij hebben alles thuis geregeld en overhandigen de voucher. Nee, we hoeven geen grotere auto voor de speciale actieprijs van maar € 10,- per dag extra. En nee, we willen niet nu al betalen voor de benzine. We leveren de auto straks weer in met een tank die net zo vol zit als dat die nu zit. Niet veel later staan we in de parkeergarage onder het vliegveld bij een witte Citroen. Deze Citroen is aanmerkelijk groter dan de fiat cinquecento die we hebben geboekt. Voor het geld van een Categorie A, rijden we nu een Categorie B auto. De baliemedewerker wilde net dus proberen om er alsnog aan te verdienen. Helaas, dat is haar niet gelukt.

Onder een grauwe hemel rijden we de bergen in om via een lange tunnel aan de westelijke zijde van het eiland te komen. Hier is het weer stukken beter. Dat is maar goed ook, want we hebben niet voor niets een huis gereserveerd aan deze zijde van het eiland. Daar kunnen we alleen nog niet terecht. Daarom rijden we naar Los Llanos de Aridane, waar we op een terras op een aangenaam plein, genieten van de zon, de koffie en een lekker broodje. Als we voldoende tijd hebben gerekt, rijden we naar de plek waar het huis zou moeten liggen. We worden begroet door twee Nederlanders die ons in hun botanische tuin, ons huis laten zien voor de komende dagen. Beter hadden we dit niet kunnen voorstellen. Het is mooi weer, de lucht is blauw, het huis is mooi, de tuin is kleurrijk, maar wij zijn kapot. We vallen in slaap op het zonovergoten dakterras, waar zelfs onze herfstkleding ‘overdressed’ is. Omdat we serieus moe zijn, besluiten we verder te slapen in het riante kingsized bed. Pas tegen de avond worden we weer wakker, waarna we naar Los Llanos wandelen om daar nog een hapje te eten. Eerst een drankje op het terras en dan nog een lekkere pizza. Wij denken dat we het hier wel een tijdje uit gaan houden.
Vandaag staat de beklimming van Mount Bruce (Punurrunha) op het programma. Met 1.235 meter is het de op één na hoogste top in Western-Australia (Mount Meharry is met 1.253 m de hoogste). De berg ligt op de rand van het National Park en is gemakkelijk aan te rijden vanaf Tom Price. Voor Australische begrippen is het een serieuze wandeling van 9 ½ kilometer heen en dezelfde afstand weer terug. Vanwege een gezellige avond met twee Nederlanders (Richard en Brenda), waarbij het 4-liter pak wijn is gesneuveld en In Search for Sunrise van Tiësto de muzikale omlijsting vormde, hebben we wat opstartproblemen. We rijden dan ook ‘pas’ om 10.00 uur weg van de camping, waarna we de auto op de parkeerplaats aan de voet van Mount Bruce achterlaten. We lopen in totaal 5 uur over de kam van de berg. In het begin is de wandeling eenvoudig, maar verderop moet behoorlijk worden geklauterd om de rotsen te bedwingen. Hoe hoger we komen, hoe meer de dimensies van het landschap lijken te veranderen. Beneden zien we het golvende rood-groene landschap zich in alle richtingen uitstrekken. Van boven krijgt het land het typerende beeld van de Australische outback. De heuvels vervlakken tot een biljartlaken van rode ondergrond vol puntige spinifex, doorsneden met droge kreekbeddingen. Vanaf de top van Mount Bruce kijken we uit op de hellingen van de Hamersley Ranges. De hellingen zijn opgebouwd uit golvende lagen, hardere gesteenten. De zachtere lagen zijn heel lang geleden uitgesleten  en weggeblazen. Ook kijken we uit op de Maraandoo Mine Site, die voor 1992 nog behoort tot het National Park Karijini. Dat leidt bij ons tot de vraag hoeveel er in de toekomst nog van het Park wordt afgesnoept in de niet te stillen honger naar grondstoffen. Men lijkt wel enigszins verantwoordelijk om te gaan met het landschap. Nadat de bodem is ontdaan van haar waardevolle bagage, wordt de toplaag weer teruggebracht tot boven het niveau van het grondwater en beplant met gebiedseigen soorten. Zo op het oog is het dan ook niet te zien of er ergens is gemijnd. De kleuren van de mijn zijn dan ook dezelfde als van de rest van het landschap: alles in dit gebied is rood-bruin.

Wat ook heel mooi is zijn de wilde bloemen die sinds een paar dagen de grond uit schieten. We begrijpen dat het komt door de regen van een paar weken geleden. Hierdoor is het land vers groen in plaats van stoffig rood. Met een ongelooflijke hoeveelheid bloemen (casia's, acasia's, bluebells en mulla-mullas), wordt er een geel-blauw-paars-rood kleurenpalet toegevoegd aan het reeds rijke kleurenpalet. We waren bang dat we net te laat waren om nog iets mee te krijgen van het bloeiseizoen. In de Pilbara lijkt niets minder waar. Overigens niet zo raar, want het is al eind juli, wat betekent dat de korte winter hier ten einde loopt en we dus deelgenoot worden van een flamboyant bloemenspektakel.  


Omdat we nu wel even genoeg kloven hebben gezien en we niet verwachten dat het nog bijzonderder kan, rijden we terug naar Tom Price. Terug naar Tom Price omdat we de mijn nog willen bezoeken. Vanaf Weano is het ruim 60 kilometer over een rode gravelweg naar de hoofdweg. Omdat we zuinig zijn op onze auto, duurt het een eeuwigheid. Rijden op gravel is vermoeiend. Niet alleen omdat alles rammelt en trilt, maar ook omdat je uiterst geconcentreerd moet rijden, omdat de kwaliteit van de weg snel kan veranderen. Meestal wijst een verschil in kleur op een verandering van kwaliteit. Op dirtroads rijden is bijzonder cool en kan niet ontbreken in de betere Australia experience, maar toch zijn we altijd weer blij als we het gladde asfalt weer hebben bereikt.

In Tom Price rijden we naar het visitor centre om ons in te schrijven voor de mijntoer van morgen, waarvoor de kosten 19 dollar per persoon bedragen. ‘Jeroen en Floor on tour’…. Iets dat we sinds ons Driekloven debacle in China niet meer hebben gedaan. Het is lichtelijk tegen onze zin en ons principe, maar helaas is een individueel bezoek aan de mijn uitgesloten. Als we ons weer hebben geïnstalleerd op de camping is het tijd voor een lange, hete douche. We kunnen best een aantal dagen zonder wasbeurt, maar daarna is een hete douche en een scheerbeurt geen straf. De camping in Tom Price is uitermate geschikt voor het betere sanitaire onderhoud. De inmiddels rode auto wassen we later wel. Het opzetten van de tent gaat inmiddels al wat beter, omdat we weten dat we onze rotspennen met veel kracht in de solide klomp ijzererts moeten rammen. We grappen dat kampeerders die er in slagen hun tent op deze bodem op te zetten, direct een carrière bij de mijn moet worden aangeboden. De eigenaar van de camping rijdt ’s avonds nog een inspectierondje over de camping, om er zeker van te zijn dat er geen illegale kampeerders zijn neergestreken. Veel reizigers met busjes hebben er namelijk een handje van in het donker de camping op te rijden om gratis te kunnen staan. Best wel sneu, want gratis kamperen is wat ze willen, maar zonder toilet en douche kunnen ze niet. Wees dan een echte held en sta in het vrije veld en betaal voor die incidentele keer dat je een douche nodig hebt.

De volgende ochtend om 9.30 uur gaat de mijntour van start. We zijn verreweg de jongste deelnemers. De overige deelnemers zijn zo oud, dat wij in het geheel geen effect hebben op de gemiddelde leeftijd. Aangezien wij in China veel ervaring hebben opgedaan met het bemachtigen van de beste plekken , slagen wij er dit keer ook in om de plaatsen voorin de bus te kapen. De bus is net op weg, wanneer onze tourgroep-fobie wordt bevestigd wanneer de buschauffeur annex tourguide zichzelf voorstelt met het legendarische ‘I’m your tourguide, my name is Bob’,
waarop de groep en masse uitroept: ‘Goodmorning Bob’. De tour brengt ons naar Mount Tom Price. Dit is de locatie van de grootse ijzerertsmijn van de Rio Tinto Group. Deze mijn vormt samen met zes andere mijnen in de regio onderdeel van Hamersley Iron. Het geheel bezit een eigen spoorwegnet, treinen en havenfaciliteiten in Dampier. Het spoorwegnetwerk is 638 kilometer lang. De gemiddeld 2,4 kilometer lange ersttreinen, bestaan uit 220 wagons met elk 105 ton laadvermogen en worden getrokken door twee diesellocomotieven. Vanaf Mount Tom Price vertrekken dagelijks zes treinen naar Dampier. Daar wordt de erts tot een ideale mix vermengd met de erts uit de andere zes mijnen van Hamersley Iron. Vervolgens wordt deze erts in de grootste schepen ter wereld geladen met bestemming China en Japan.

De mijntour is erg cool. We rijden door de hekken en langs de rooduitgeslagen installaties. We zien de gigantische ‘haul-trucks’, die 200 ton erts per keer naar de ‘crushers’ transporteren. Alles hier is gigantisch. De graafmachines (excavators en shovels), de rijdende watertanks die continue sproeien tegen het stof en de ‘pit’ zelf. We rijden naar een uitzichtpunt, vanaf waar we uitkijken op het enorme gat dat zich voor en onder ons uitstrekt. Beetje bij beetje wordt de berg naar andere delen van de wereld getransporteerd. De eerste stap in het proces is het onderzoek naar de plek waar beste erts te winnen is. Vervolgens wordt de gekozen zone klaargemaakt voor ‘mining’ door een groot aantal explosieven in de grond te plaatsen. Na een enorme explosie en een minsten zo’n enorme stofwolk, gaan de ‘mean-machines’ aan het werk. Erg indrukwekkend om die grote machines aan het werk te zien, maar we vinden het aantal nogal tegenvallen. Naar ons idee wordt er ook weinig efficiënt gewerkt, want regelmatig zien we een volgeladen shovel wachten op een lege truck. De haul-trucks transporteren het erts naar de ‘crushers’. Waar de grote stenen worden vermalen tot erts met een grootte van 10-16 mm. Al dat heen en weer rijden is niet gratis. Per gereden kilometer verbruikt een haul-trucks 20 liter diesel. Per etmaal verbruikt zo’n truck 4.920 liter diesel. Via kilometers lange lopende banden wordt het vermalen erts naar het laadstation getransporteerd. Dit is in feite een groot uitgevallen trechter, waaronder een treintunnel is aangelegd. Het volledig vullen van een trein met 220 wagons duurt vier uur. Tom Price is door Rio Tinto aangelegd voor de medewerkers van de mijn. Nog steeds is 60 procent van de woningen in eigendom van het bedrijf. Iedere werknemer kan in aanmerking komen voor gesubsidieerde woonruimte (200 dollar per maand). De salarissen liggen daarnaast nog eens erg hoog en wij hebben de indruk dat Tom Price helemaal geen beroerde plek is om te wonen.

5.23 - Australië | Karijini: Weano Gorge

Slapen in de auto is eigenlijk erg relaxed. Een goed alternatief als de bodem zo hard is dat we de rotspennen de grond niet inkrijgen. De nacht is volmaakt stil en wakker worden naast een termietenheuvel is een bijzondere ervaring. Tot het moment dat er enkele jaren geleden, één of andere idioot met z’n dronken kop ’s nachts in het ravijn pleurde, kon er bij Weano nog gewoon worden gekampeerd. Voor ons maakt dat nu niet uit, want we hebben kosteloos kunnen overnachten op een onbetaalbare plek. Om 7.00 uur staan we klaar om af te dalen in de Hancock Gorge. Via een soort van trap, die in de rotswand is uitgehouwen, een ladder en met een hoop geklauter, komen we aan op de bodem. De lopen in de richting van het vierklovenpunt, terwijl de kloof steeds smaller en het water dieper wordt. Om in een onderaards amfitheater te komen, moeten we door het ijskoude water waden, waarbij we nat worden tot boven onze heupen. Het is mogelijk om de kloof nog verder en dieper te exploreren, maar daardoor moeten we de zogenaamde ‘spiderwalk’ overwinnen. Dit betekent dat je jezelf met je knieën en ellebogen, over de gladde rotsen naar beneden moet zien te krijgen, door het krachtig stromende water. Het probleem is alleen dat je via dezelfde weg ook weer terug moet en dat je een probleem hebt als je uitglijdt en in de poel valt. Dan kun je namelijk niet meer terug. Vallen is überhaupt niet aan te raden, omdat de kans op serieus letsel groot is. Om twee redenen hebben we daar geen zin. Als eerste: Als je in of voorbij de Spider Walk wat breekt of alleen maar verstuikt, kun je niet meer zelfstandig terugkomen. Er moet dan een reddingsoperatie worden gestart die 13-14 uur in beslag neemt. Wanneer je vast komt te zitten in het ijskoude water dat hier maar 5 graden is, overleef je dat dus niet. Ten tweede: Je wordt door de hulptroepen vervoerd naar Perth, waarvan de lol alleen maar is dat je dan kunt vertellen dat je in een Flying Doctors vliegtuig hebt gezeten. De kans dat er iets fout gaat is dan wel kleiner dan de gevolgen, maar volgens onze risico-analyse, concluderen wij dat het niet verantwoord is om door te klauteren.

Maar wauw. Wat is dit te cool. En inderdaad beleven we dit ook helemaal alleen. We gaan terug zoals we zijn gekomen en gaan op weg naar de Weano Gorge. Helaas worden we nu achtervolgt door een vroege toergroep. Deze kloof is zo mogelijk nog indrukwekkende dan de Hancock Gorge. De kloof is zo smal en de wanden zo hoog, dat deze wandeling de illusie opwekt dat we onderweg zijn naar het middelpunt van de aarde. De smalle  
richels langs de steile wanden zijn zo glad, dat we er niet aan ontkomen om tot door het ijskoude water te waden, terwijl het water tot ons middel komt. Het is nog een heel gedoe om de rugtas droog te houden. Langs een touw dalen we in de Handrail Pool. We kunnen nog verder door de kloof totdat het water zo diep wordt dat we moeten zwemmen. Het water is hier ook maar maximaal 5 graden Celsius en we moeten dezelfde weg ook weer terug. Omdat er op deze diepte geen zonlicht doordringt raak je sneller onderkoelt dan je zou willen. We rillen en trillen wat af en vinden het dus wel mooi geweest. We hebben het punt bereikt dat we het risico onaanvaardbaar vinden. We zijn verbaasd over de toergroep, die heel langzaam verder gaat door het ijskoude water. Zonder uitzondering staan ze te wankelen van de kou. De gids is naar onze mening onverantwoord bezig. Er hoeft maar één toergroeper in een shock te raken en de hele groep wordt in de problemen gebracht.

Van dit gebied zijn we erg onder de indruk. Terwijl we ons diep in de kloof bevinden, komt de zon steeds hoger te staan. Langzaam zien we keuren verschijnen. De zwarte wanden kleuren donkerrood. Iemand die nooit in Australië is geweest, zal geen benul hebben wat rood is. Je hebt rood, rood, rood, rood en je hebt rood en alle roodtinten die daartussen vallen. Hoe kunnen we dit vastleggen? Onmogelijk. Dit moet opgeslagen worden in het geheugen voor de betere herinneringen.

Nog nagenietend van alle avonturen zien we voor ons de rode zon, die ondergaat achter een met bollen spinifex gevulde heuvel en onze volledig roodbestofte auto. Een van onze kisten hebben we als tafel voor ons neergezet, waarop twee glazen rosé staan van het merk Coolabah). Een meter achter ons staat een enorme roodpaarse termietenheuvel. Het landschap waar we nu zijn, laat zich enigszins als volgt omschrijven: een heuvelachtig landschap, waar tussen de groene bollen spinifex en de witte stammen van de eucalyptusbomen, de paarsrode bodem zichtbaar is. Overal staan de paarsrode kastelen, die worden bevolkt door de termieten. Tussen dit heuvelachtige landschap lopen, als donkere lijnen, de tot honderd meter diepe kloven. Indrukwekkender dan dit hebben we het nog niet eerder gezien. Ik vergeet nog te melden dat alle kleuren samengaan met de altijd aanwezige blauw lucht. Floor merkt op dat een voorbij huppende kangoeroe goed in het plaatje zou passen.
Op de ochtend dat de thermometer 3 graden aangeeft, besluiten we ons kamp weer op te breken en naar Weano te gaan. We weten dat we nog langs Savannah Campground rijden, waar een overnachting 20 dollar kost. Maar dan heb je wel de luxe van een warme douche. Iets wat wij niet nodig hebben. We hebben vernomen dat er een paar kilometer van de indrukwekkende kloven nog een andere campground is. Er mag niet vrij worden gekampeerd in de nationale parken, maar deze gratis campground ligt precies op het stukje grond dat niet tot het nationale park behoort. Voordat we een besluit nemen, gaan we eerst naar de Kalamina Falls en Gorge. Het is 25 kilometer over een geüpgrade gravelweg, maar echt comfortabel rijdt het niet vanwege de corregation. We weten dat je dan juist harder moet rijden, maar dan heb je weer geen grip. Met een bejaardentempo trillen we dus over de rode wegen. We zijn blij dat we de moeite hebben genomen om hier naar toe te rijden, want de Kalaminia Gorge vinden we mooier dan de Dales. De Dales heeft dan wel hoge rode wanden, Kalminia heeft veel weg van een veel te mooie driedimensionale tuin, gevuld met watervallen, afgeronde platen, paperbark trees en alleen wij tweeën. Zoals het in de natuur hoort, zijn we weer alleen. We stappen via tegels door waterpartijen en klauteren langs de wanden dieper de kloof in. Met mijn teva’s kan ik wat verder door het water, waaruit ik kan concluderen dat het water oncomfortabel koud is. Zwemmen zit er dus niet in.

Na deze onverwacht mooie wandeling van nog geen drie kilometer, rijden we weer verder. Meerdere keren is er met borden aangegeven dat de weg voor alle voertuigen geschikt is. Daar zijn de meningen dan wel over verdeeld, want de kwaliteit van de weg gaat achteruit en wordt vervolgens ronduit slecht. We moeten diepe kuilen ontwijken en door kreken heen, waarvan het water hoger staat dan voor ons vervoermiddel verantwoord is. Gelukkig gaat het allemaal goed en komen we zonder schade aan bij Weano. Hier blijken opvallend weinig normale 2-wheel-drives te komen. Hoe zou dat nou toch komen? Terwijl ik een paar tosti’s klaarmaak, maakt Floor een vlotte babbel met twee Flying Doctors die hier gedurende het toeristenseizoen met een grote camper staan. Het is voor het eerst dat we een Doctor Jeff in levende lijve tegenkomen. Floor vraagt aan Doktor Jeff of hij vannacht op de parkeerplaats blijft staan en vertelt hoe beroerd de weg wel niet was en dat we hier graag meerdere wandelingen willen maken, maar dat we de weg niet vaker willen afleggen. Doktor Jeff zegt dat hij het al bizar vond dat we hier überhaupt zijn aangekomen en dat we het geluk hebben dat hij ook de waarnemend ranger is. Omdat hij ons niet ziet als mensen die spullen slopen, mogen wij als enigen vannacht op deze plek blijven.

We zijn opgelucht en blij, want nu kunnen we morgenochtend zonder problemen de eerste zijn in de kloof. We maken nog een korte wandeling door het gemakkelijk toegankelijke deel van de Weano Gorge, waarna we bovenlangs weer terugkeren. Langs hellingen gevuld met spinifex en roodpaarse termietenheuvels. We lopen door de uitzichtpunten Junction en Oxer, waar ons de adem wordt ontnomen. Dit uitzicht hadden we niet verwacht. Het uitzichtpunt staat bovenop op een 120 meter hoge loodrechte
wand. Vanaf dit punt kijken we uit over de vier kloven die hier samen komen: Weano, Joffre, Hancock en Knox. We hebben al veel gezien, maar dit is weer een van die zeldzame momenten van ‘extreem onder de indruk zijn’. We zullen nooit meer onder de indruk kunnen zijn van het drielandenpunt bij Vaals.

We worden ’s avonds door Doctor Jeff, wiens echte naam overigens Phil is, uitgenodigd voor warme chocolademelk voor zijn camper. We praten lang en uitgebreid over de verschillende belevingswijzen van de natuur. Zijn filosofie is dat je vrede moet hebben met de keuzes die andere mensen maken, omdat ze op een ‘different journey’ zijn. Dat is natuurlijk zo waar als het maar zijn kan. Je kunt niet onafhankelijk beoordelen wie de juiste, dan wel foute weg kiest. Want wat is fout? Zo kun je de natuur ook op verschillende manieren beleven. Je kunt het zien als een attractie of zelfs als een gebruiksvoorwerp. Maar je kunt het ook individueel en met respect benaderen. Problemen ontstaan pas als we elkaar in de weg gaan zitten. Als je in alle rust van de natuur aan het genieten bent en je rust wordt verstoord door schreeuwende mensen met flesjes bier in de hand of door een luidruchtige toergroep, dan is dat bijzonder onprettig. Phil werkt voor de Flying Doctors. Zijn baan bestaat uit training en educatie op locatie. Hij heeft elke homestead en elke Aboriginal gemeenschap in Western Australia inmiddels wel bezocht. Hij heeft geen beroerde baan. Hij houdt van de ruimte en de rust in de bush, maar heeft een huis in Perth. Hij leeft in een perfecte balans, want op de plekken die hij voor zijn werk bezoekt, zou hij niet kunnen wonen. Hij heeft zowel de dynamiek van de stad, als de rust van de bush nodig. Hij legt ons uit hoe we het zuiden kunnen bepalen, door gebruik te maken van de positie van het Zuiderkruis. Hiervoor moet er een denkbeeldige lijn worden getrokken door de lange zijde van het Zuiderkruis en een lijn door de twee felle sterren die er rechts naast staan. Op het kruispunt van die twee lijnen, bevindt zich het precieze zuiden. We hebben ons hierover al vaak verwonderd, want het Zuiderkruis verschuift gedurende de nacht. Het zou vreemd zijn als het zuiden zich in de nacht net zo verplaats. Weer hebben we wat geleerd.

Phil is spiritueel ingesteld. Hij probeert zijn leven dan ook in perfecte balans te leven. Zo is hij van mening dat het avondeten een lichte maaltijd hoort te zijn, omdat je ’s nachts geen energie nodig hebt. Dat kan misschien wel zo zijn, maar ik vind eten veel te lekker. Phil stelt zich zelf open voor het de spiritualiteit van de Aboriginals. De Aboriginals vermijden de kloven, omdat zij geloven dat de geesten van voorouders er huizen. Phil neemt ons laat op de avond mee naar de uitzichtpunt, war we naar de stemmen (van de overleden Aboriginals) luisteren. Het is het geluid van het stromende water, diep beneden in de kloven, die deze illusie creëert. Als alleen het gehoor wordt geprikkeld, zijn je hersens in staat de om de opgevangen geluidstrillingen om te zetten in ‘gefluister’, ‘gelach van kinderen’, ‘verhitte debatten’ en ‘geroezemoes’. Het is een erg bijzondere avond. Wie heeft er ooit in het nachtelijk duister, naar stemmen zitten luisteren boven op een van de meest spectaculaire plekken van Australië?

5.21 - Australië | Karijini: Dales Gorge

We staan ‘s ochtends om 6.30 uur op voor een bezoek aan de Dales Gorge. Niet heel comfortabel want voor zonsopkomst is nog erg koud. Als de zon boven de horizon uitkomt, worden we al snel aangenaam verwarmd door de eerste zonnestralen. De vogels begeleiden ons met hun melodieën. Om de een of andere reden horen we in Australië dagelijks een nieuwe vogel, of het is een vogel die een enorme variëteit een melodietjes heeft? Hoe het ook is, in Australië zijn een heleboel vogels. Vanaf het uitzichtpunt kijken we dit keer honderd meter loodrecht naar beneden naar Circular Pool, zonder dat we andere mensen zien. Kijkend naar rechts zien we de Dales Gorges, waar we straks doorheen zullen lopen. Via een steile afdaling langs de rotswand komen we beneden in de kloof. Beneden lopen we eerst naar rechts, richting Circular Pool. Het door de zon beschenen deel van de rotswand wordt steeds groter. In het water dat in de kloof stroomt, wordt de roodverlichte rotswand gereflecteerd. De bodem en de wanden van de kloof zijn opgebouwd uit in rechte hoeken geërodeerde platen gesteente, die voor een groot deel bestaan uit ijzer en silicium. De rechte hoeken zijn gevormd door breuken, waarlangs de erosie (versneld) heeft plaatsgevonden. De bovenste laag van de wand, wordt gevormd door ‘ouderwetse’ rotsen. Deze laag is poreus, waardoor het water er door heen naar beneden in de kloof sijpelt en stroomt en op de niet waterdoorlatende laag terecht komt. Daar vormt het water watervallen, stroompjes en poeltjes. Het is voor het eerst dat we in Australië water horen stromen. Het geluid van een kabbelend beekje is toch fantastisch, vooral met een voor- en achtergrond van steeds roder wordende kloofwanden.

We ontbijten beneden bij Circular Pool. Het is een waar paradijs zo tussen het groen, aan het water en 100 meter in de aarde. Er is verder helemaal niemand en we horen ook niemand. We maken een wandeling door de gehele Dales Gorge naar de Fortescue Falls. De wandeling in de kloof is extra bijzonder, omdat er ook erg veel bomen in staan. Als een langwerpige groene oases tussen het dorre land er om heen. Fortescue Falls is bijzonder, vanwege de trapvormige opbouw en het water wat trapsgewijs naar beneden klatert. Het is inmiddels 9.30 uur en we zijn helemaal niemand
tegengekomen. Ook al is het de drukste tijd in Australië en is de camping helemaal vol, het is nog steeds mogelijk om alleen van een wandeling te genieten. Men staat niet vroeg op en over het algemeen zijn ze ook te lui of dik om een ‘grote’ afstand te lopen. We volgen de bovenrand van de kloof weer terug naar de camping. Vanaf dat punt is het zicht fantastisch op de rode kloof, het reliëf aan de overzijde en de begroeiing met pollen spinifex en de witte stammen van de eucalyptusbomen, die perfect verspreid op de hellingen staan. De lucht is diepblauw, de aarde paarsrood met daartussen de overal aanwezige termietenheuvels in de kleuren van het land.

We zijn terug op onze kampeerplek als het nog maar 10.30 uur is. We zijn er in geslaagd om dit gebied alleen, zonder andere mensen te zien en te beleven. Omdat we bij de tent A. last hebben van de vliegen en B. last hebben van de wind, gaan we na de lunch een educatieve activiteit ondernemen. We rijden naar het Visitor Center, waar ze een tentoonstelling hebben van het gebied. We leren er een hoop. Zo komen we te weten dat Karijini de Aboriginal naam is van de Hamersley Ranges. De Aboriginals hebben hier al duizenden jaren gewoond, maar zijn de laatste honderd jaar door de blanke stationhouders gebruikt als slaven. Tot de jaren zeventig van de vorige eeuw, moesten ze werken zonder dat ze daar een salaris voor kregen. Het is dus niet zo vreemd, dat de Aboriginals een probleem hebben met de blanken. Er wordt grootschalig ijzererts gedolven en er werd blauw asbest gewonnen. Zowel de lagen met ijzererts als het asbest zijn goed zichtbaar in de kloof. De gesteenten waar we hier tussendoor lopen zijn zo oud, dat ze geen fossielen bevatten om de hele simpele reden dat er 2,5-3,5 miljard geleden nog geen leven bestond, buiten de stromateolieten. Dit is fascinerend. Verder leren we nog dat het hele land tot voor kort volledig naar de kloten werd geholpen door het veel te grote aantal runderen en schapen, die de al arme en droge grond onherstelbaar beschadigden. Dingo’s werden afgeschoten omdat ze achter de schapen aanzaten. Geef die dingo eens ongelijk! Wat zijn mensen eigenlijk vreselijke schoften.
Vandaag gaan we vroeg op weg naar het Karijini National Park, wat onderdeel is van de Hamersley Ranges. Het Nationale Park heeft de Aboriginal naam gekregen van het gebied. Tom Price ligt naast het National Park, maar nog steeds moeten we ruim honderd kilometer rijden om ons doel te bereiken. De rit er naar toe is fantastisch en gaat over een geasfalteerde weg door een rood, heuvelachtig landschap, gevuld met bollen spinifex, de witten stammen van de eucalyptus bomen en de rode rotswanden in de heuvels. Dit landschap is fascinerend, indrukwekkend en surrealistisch. Afstekend tegen de knetterblauwe lucht lijken de kleuren niet te kloppen. Als je denkt dat je het typerende outback landschap reeds hebt gezien, wordt je voor je hoofd geslagen met dit soort plaatjes. Het vastleggen op een foto is onbegonnen werk, ‘Leave it to memory me! I have seen things that you’ll never see’, Deze tekst van REM krijgt steeds meer betekenis. We rijden het NP binnen, waar het vanwege de schoolvakanties erg druk is. We zijn blij met onze jaarpas, zodat we de toegangsprijs van $ 9 niet hoeven te betalen. We komen op een goed tijdstip aan op de bushcamping. De grote meute is reeds van de Dales Campground verdwenen en de nieuwe garde is nog niet gearriveerd. Dales Campground is voor een bushcamping erg groot. Het heeft 90 plaatsen, verdeeld over een aantal zones, waardoor iedereen veel ruimte heeft. In het hoogseizoen zijn er op iedere bushcamping vrijwilligers die onder andere zorgen door de coördinatie. We vragen om een plek uit de wind en met genoeg schaduw. We willen dus een plek tussen de bomen. Voor $ 10 krijgen we een afgeschermde plek tussen de eucalyptus en de spinifex. De tent wordt opgezet op de bikkelharde rode bodem, terwijl de achtergrond wordt gevormd door twee termietenheuvels. Het is nog steeds koud, maar uit de wind is het prima te doen. Doordat we zo diep in de bush zitten loopt er een dingo door ons kamp. Deze honden zijn 4.000 – 6.000 jaar geleden in Australië terecht gekomen. De dingo is verwant aan de Indiase wolf. Voor de komst van de dingo werd de top van de voedselketen ingenomen door de Tasmaanse tijger. Dit solitaire dier kon echter niets beginnen tegen de in groepen jagende dingo’s. Het resultaat hiervan was dat de Tasmaanse tijger is uitgestorven en dat de koppositie is overgenomen door de dingo. Het voornaamste voedsel van de dingo is de kangaroe. Veel Australiërs zien de dingo als ongedierte of zijn er zelfs bang voor, omdat het wel eens is voorgekomen dat kinderen worden aangevallen door dingo’s. Er wordt voor het gemak ‘vergeten’ dat huishonden zeer regelmatig slachtoffers maken. Het is dan ook weer typisch een Aussie houding, want voor hen is er ook maar een goede slang en dat is een dode slang.

Omdat we vandaag toch nog wel wat willen doen, maken we een verkennende wandeling. We wisten dat de Karijini bezoekers trekt vanwege de kloven en ravijnen, maar wat wij aantreffen is zo boven verwachting dat we er stil van worden. Aan het begin van de middag staan we op een platform, vanaf waar we ruim honderd meter loodrecht naar beneden kijken naar Circular Pool. Een paar domme dozen denken dat het hek er voor niets staat en gaan op de rand van de kloof staan. Jammer genoeg komt er geen windvlaag. Via een in de rotswand uitgehakte trap lopen we naar beneden. Honderd meter lager in de kloof is het ongelooflijk mooi, want het is er groen en vochtig. De bodem en de wanden van de kloof zijn samengesteld uit geërodeerd, op elkaar gestapelde platen. Het ziet er uit als een 3D puzzel, die is samengesteld uit op elkaar gestapelde platen van verschillende grootte. Onderin stroomt een beekje, waarvan het water over en langs de kunstvormen kabbelt en klatert. Het is als een verborgen paradijs, waar je elk ogenblik nog niet eerder ontdekte dieren verwacht tegen te komen. De trapsgewijze samenstelling van de bodem en de daarmee samenhangende waterbedding werkt inspirerend voor Floor de landschapsarchitect. Het is jammer dat het er vanwege de schoolvakanties veel te druk is, waardoor je niet in je eentje en in alle rust kunt genieten. Natuur moet je proberen alleen te beleven.

5.19 - Australië | Tom Price

Het opstaan was geen pretje vanwege de kou. Volgens de thermometer was het zo’n acht graden, maar de wind… en die bleef ook maar waaien. Met een dikke trui naar het badhok om zo lang mogelijk en zo heet mogelijk te douchen om door te warmen. Gelukkig is het in Tom Price erg prettig. De mensen zijn er vriendelijk, het stadje is erg groen, de wegen en straten hebben bochten, er zijn heuvels en we worden niet besodemieterd in de supermarkt. Tom Price is een van de betere plaatsten die we in Australië zijn tegengekomen. Het is een mijnstadje en de mensen verdienen zich het apelazarus. Mijnbouw is booming, dat hebben we ook al kunnen lezen in de krant. Er wordt ontzettend veel personeel gevraagd. Het probleem is alleen dat er geen betaalbare woonruimte beschikbaar is. De prijzen van de beperkt beschikbare woningen ligt al snel op het dubbelde niveau als in Perth. We spreken met een man die tijdelijk op de camping woont, omdat hij hoogspanningsnetwerken in de regio onderhoud. Hij ontvangt $ 200 vergoeding per dag voor zijn overnachting, terwijl hij op deze camping ‘maar’ $ 60 kwijt is. Hij vindt dus allemaal wel best en na een paar maanden gaat hij weer terug naar zijn eigen huis in Perth. Voor mensen die hier vast aan de slag gaan ligt het anders. Omdat zij geen betaalbare woning kunnen vinden, wonen ze noodgedwongen op de camping. Het mijnbedrijf biedt goedkope woningen aan voor de mensen die minimaal een half jaar in dienst zijn. Nou werk je al vrij snel voor de mijn, wat het is een reusachtig bedrijf. Tom Price is feitelijk in eigendom van het bedrijf, evenals het spoorweg netwerk, de havenfaciliteiten in Dampier, elektriciteitscentrales, het hoogspanningsnet, wegen en dan kunnen we nog wel even doorgaan. In Tom Price doen we de boodschappen voor de hele week. Sinds Melbourne hebben we de Coles kunnen vermijden, maar hier hebben we geen alternatief. De Coles blijkt onverwacht een fijne winkel te zien met veel keuze en normale prijzen. Een groot verschil met de afzetters van de IGA in Exmouth. We kunnen hier ook weer tanken voor $ 1,52 in plaats van de $ 1,64 waar ze in Exmouth om vroegen.
Vliegen blijven ongelooflijk irritant. Het feit dat er altijd zoemende insecten rond je hoofd zwermen went wel, maar de wijze waarop die kleine vliegen je het leven zo zuur mogelijk proberen te maken, went echt niet. Hoe warmer en droger het ergens is, hoe meer er van zijn. Altijd kruipen ze achter je bril, blijven net zo lang rond je hoofd zoemen tot je er gek van wordt. Ze kruipen met z’n zessen tegelijk in je oren en je neus en dan vooral als je probeert te schrijven of ergens een foto van probeert te maken. Alleen al vanwege de vliegen zou je hier niet moeten willen wonen. Het zou echt heerlijk zijn om keer helemaal vliegloos te zijn, want dat gezoem en die kriebelende pootjes maken je af en toe helemaal gek. Ze zijn alleen maar geïnteresseerd in je gezicht en niet in het eten, je voeten of andere lichaamsdelen. De vliegen hebben inmiddels gewonnen. We hebben ons vliegennet maar opgezet.

We vertrekken weer vroeg van Giralia Station. Al snel komen we op de North-West Coastel Highway terecht. We rijden momenteel op 150 kilometer van de kust, maar nog steeds wordt de weg de Coastal Highway genoemd. Dit is vergelijkbaar met een weg die langs Deventer loopt en die de Noordzee route noemen. Het landschap is inmiddels verandert. Het lijkt er op alsof dit gebied niet wordt begraasd, wat alleen niet lijkt te kloppen doordat we twee enorm grote, maar dode koeien langs de weg zien liggen. Deze beesten zijn overduidelijk aangereden door een road-train, waarvan je toch moet denken dat zo’n enorme vrachtwagen daar last van moet hebben gehad. Het eerste stuk rijden we door en over, haaks op de weg staande heuvels. Het zijn rode zandduinen die (tijdelijk) zijn gestopt met door het land ‘wandelen’. Ze lange rode duinen zijn begroeid met bollen (Floor kan er geen betere benaming voor vinden, want ze is verdiept in een boek) spinifex. De heuvels, duinen dus eigenlijk, hebben dezelfde richting en lengte en liggen op ongeveer gelijke afstand van elkaar. Dit fenomeen wordt veroorzaakt door de bijna constante windrichting. We kruisen een aantal kreken, waar zoals gewoonlijk geen water in staat. We raken dus wel van slag als we de Ashburton River oversteken, waar wel veel water in staat en dat zelfs stroomt. De laatste keer dat we een rivier met water gevuld hebben gezien moet in Perth geweest zijn. We rijden langs het Nanutarra Roadhouse, waarvan we te horen hebben gekregen er niet te stoppen, omdat de eigenaar een oplichter is. De locals schijnen het Roadhouse ook te mijden, omdat de eigenaar het zelfs presteert om tijdens rampen (cyclonen), water voor woekerprijzen te verkopen.

We slaan af in de richting van Paraburdoo en Tom Price. Wat volgt is de mooiste weg die we tot dusver hebben gereden. Om de een of andere domme reden delen we de reis naar Tom Price niet in twee delen, waardoor we de afstand van 440 kilometer in een dag overbruggen. Dit is veel te veel voor een dag. We willen niet nog een keer zo’n afstand afleggen op een dag, want we missen daardoor erg veel moois. We hebben geen haast, dus waarom zouden we zo veel kilometer op een dag maken, wanneer we in een zo mooi gebied zijn. We zijn in de Pilbarra. Sinds Giralia is het landschap dramatisch verandert. Er is veel reliëf en het land staat vol met paarse en gele bloemen. Het landschap is enorm kleurrijk. Er staan dan wel geen bomen, het groen bestaat uit miljoenen schakeringen op en tussen een volledig diep paars-rode ondergrond. Het land wordt ruiger en we rijden door een soort van heuveldalen, terwijl we worden omringd door rode en paarse rotswanden. We zien een grijszwarte wilde kat de weg oversteken en ook zien we een gelige hond. Wat doet een hond hier alleen in de bush? Het is een dingo die behoedzaam langs de weg ziet te klooien. Er ligt namelijk een kadaver van een vers aangereden kangaroe, waarop ook al een enorme adelaar is neergestreken. We passeren droge en met water gevulde kreken. Het is hier opvallend vochtiger dan waar we vandaag zijn gekomen. Via het mijnstadje Paraburdoo komen we uiteindelijk aan in Tom Price aan de voet van de Karijini. We hebben genoeg van het rijden. Het ziet er hier wel erg gaaf uit. Tom Price is een mijnstadje maar dan wel met een prettige uitstraling. De wegen en een spoorlijn kronkelen zich er tussen de rode bergen door. We bevinden ons nog steeds in de woestijn, maar Tom Price is als een oase zo groen. Het is een van de mijnbouwcentra in de Pilbarra en op een hoogte van 747 meter is het hoogstgelegen plaats in Western-Australia. Het wordt omringd door fantastische bergen waarvan de hoogste de naam Mt. Nameless draagt. Deze naam vinden de Aboriginals compleet belachelijk, omdat voor hen de berg al duizenden jaren de naam Jarndrunmunhna draagt

Het kost ons wat moeite om te kunnen genieten van de plek waar we zijn, omdat we vandaag veel te lang hebben gereden. De camping kost ons $ 20, maar daarvoor hebben we wel een knettervet uitzicht op de roodpaarse rotswanden van Mt. Nameless. De grond van de camping bestaat uit massief ijzererts, waardoor we ons helemaal het ongans slaan met de hamer om de dikke stalen pennen de ijzerklomp te rammen. De tent begint langzaam aan het leven te laten, want er is weer een nieuwe scheur ontstaan, maar gelukkig is er ducttape. Vanwege de schoolvakanties is het vrij druk op de camping, maar met onze plek aan de bosrand moeten we niet klagen. Voor een commerciële camping is het uitzicht een keer fantastisch. Het kan wedijveren met de campings Wilpena Pound en Venus Bay. Het is hier alleen afschuwelijk koud. De ijskoude wind maakt de gevoelstemperatuur nog lager. Als Australië een warm continent is, dan merken wij daar helemaal niets van. Iedereen loopt rond in dikke truien, jassen en mutsen. Gelukkig is er een overvolle maar wel gezellige keuken zonder muren, waar we nog enigszins beschut kunnen zitten. Er wordt gekookt, afgewassen, gegeten en gedronken in verschillende volgordes.
Pagina 7 van 29
Ga naar boven