Afrika

Jeroen Kleiberg Madagascar

Madagaskar | Gestrand in het zand

Ploeterend door het rode mulle zand, proberen we ons door het dorp te worstelen waar we door een groeiende groep krijsende, cadeaus en bonbons eisende kinderplaag worden belaagd. Fietsen is onmogelijk door het losse zand. Tot grote hilariteit van de joelende kinderschare duwen en trekken we ons zwetend voort. Als Mette haar stuurtas opent om iets te pakken, is dat het signaal om in de aanval te gaan. In een flits zijn er minimaal 80 kinderhandjes in verdwenen. Er wordt geduwd en getrokken. Er worden rake klappen uitgedeeld. Allemaal willen ze cadeaus, maar die hebben we niet. We willen weg uit deze kinderhel. De zandbak wordt alleen maar dieper. We zijn gestrand. We geven ons gewonnen, we moeten terug.

Mette Janssen Madagascar
Fietsen over een vlakte vol wuivend geel hoog gras. Foto: Jeroen Kleiberg

Tot Ihosy fietsen we door een land vol mensen en terrassen met rijst. Daarna verandert het land. Na een laatste pittige klim, fietsen we met de wind in de rug over een uitgestrekte vlakte vol wuivend geel hoog gras onder een diepblauwe hemel. Op het vasteland van Afrika zou dit de plek zijn geweest voor grote beesten. Hier is helemaal niets! Maar zelfs in deze leegte, in dit landschap zonder bomen, lopen her en der wat mensen met bossen hout op hun hoofd. Kilometers hebben ze moeten lopen om weer een dag te kunnen koken. Langs de weg af en toe een groepje mensen, die geduldig wacht op een lift. Hoe gaan deze mensen met al hun bagage ooit passen in de overvolle taxi-brousses die ons passeren? Hoe zuidelijker we komen, hoe hoger het dak is volgeladen met bagage en beesten.

In deze regio geldt het stelen van zeboe als bewijs van mannelijkheid

Van het hoge plateau met vruchtbare rode aarde, dalen we door de graslanden van Madagaskar af naar het droge land. Hier geen rijst, maar maniok waar de mensen van leven. Kuddes met zeboe worden begeleid door mannen met geweren. In deze regio geldt het stelen van zeboe als bewijs van mannelijkheid. Een beetje huwelijkspartner heeft daarvoor ook in de bak gezeten. Hoe meer gestolen, hoe meer vrouwen je jezelf kunt veroorloven.

Tree Madagascar
Flora van Madagaskar. Foto: Jeroen Kleiberg

Ten oosten van Isalo is er een andere inkomstenbron: hier worden edelstenen (saffieren) gevonden. De prijs is hoog en daarom zijn hier gelukszoekers uit alle delen van de wereld neergestreken. Hier zien we de eerste machines die we in weken hebben gezien: meegebracht door de Chinezen en de Arabieren om de grote stenen op te graven. De Malagasy gebruiken hun blote handen voor het graven van diepe gaten om er aan touwen in af te zakken. Op zoek naar een steen om uit de armoede te komen.

Sapphire mining Madagascar
Op zoek naar een fortuin. Foto: Jeroen Kleiberg

De modder en de klei maken plaats voor roodbruin zand, waartussen hier en daar de eerste baobab is te ontdekken. Verspreid staan bomen met kronen als wortels en kromme stammen. Het is een land waarin we steeds meer cactussen zien. Elke plant lijkt hier prikkelbaar. Onder grote stenen leven slangen, schorpioenen en sissende kakkerlakken met prehistorische afmetingen. Hier geen kuddes zeboe, maar geiten die zich ontfermen over de stekelige ondergroei.

Village Madagascar
Huizen van riet en stro tussen vreemde bomen. Foto: Jeroen Kleiberg

De dorpen met lemen huizen van eerder zijn verdwenen. Hier bestaan de dorpen uit groepjes huizen van riet en stro met daartussen een stralend witte kerk en af en toe een moskee. Elk dorp barst uit haar voegen van de vele kinderen die er wonen. Allemaal schreeuwen ze ‘salut vazaha’ in plaats van het ‘bonjour vazaha’ dat we eerder hoorden. De kinderen lijken te denken dat we ‘madame bonbon’ en ‘monsieur cadeau’ heten. Bonbon en cadeau groeten vrolijk terug.

Een stoere zwarte man omwikkeld met een roze Hello Kitty deken is geen ongewoon gezicht

Minimaal de helft van de bevolking loopt in het oranje T-shirt met de beeltenis van de kandidaat die in januari de presidentsverkiezingen heeft gewonnen. Bij gebrek aan jassen wikkelen de mensen zich in dekens als het buiten nog fris is. Een stoere zwarte man omwikkeld met een roze Hello Kitty deken is geen ongewoon gezicht. Veel vrouwen hebben hun gezichten met modder ingesmeerd als bescherming tegen de zon, soms voorzien van een artistiek motief.

Mette Janssen Madagascar
Fietsen over zanderige wegen. Foto: Jeroen Kleiberg

Na de ruim 1.000 kilometer die we hebben afgelegd om van Tana naar Tulear aan de Indische Oceaan te komen is het tijd om het wat rustiger aan te doen. Al fietsend door Madagaskar zijn we gestuit op een paar problemen waar we geen rekening mee hebben gehouden. Kamperen is hier bijna niet te doen vanwege de mensen die overal lijken te wonen. Fietsen in het donker is nooit een goed idee, maar in dit land simpelweg onverstandig vanwege de reële kans op berovingen. Helaas naderen we op het zuidelijk halfrond de kortste dag van het jaar, wat betekent dat we maximaal 10 uur hebben om van het ene naar het andere hotel te fietsen; regelmatig een afstand van meer dan 90 km. Met al het reliëf en het beperkte daglicht is dat vaak een uitdaging. Aan de kust hopen we het nu wat rustiger aan te doen. Met kortere etappes door gebieden met minder mensen. Maar helaas strandt onze eerste poging terwijl we worden belaagd door honderd kinderen die iets van ons willen: ‘Donnez moi un cadeau!’

Madagaskar | Klauteren en klimmen

Honderden kilometers hebben we gefietst door de golvende Centrale Hooglanden van Madagaskar. Honderden kilometers door een landschap dat door mensenhanden is vormgegeven. Een landschap gecultiveerd voor de teelt van rijst. Een landschap waaruit bijna alle bomen zijn verdwenen, maar waar mensen overal aanwezig zijn. Nu dalen we langzaam maar zeker af naar een regio van rode aarde en termietenheuvels.

Bijna alle bomen zijn uit het landschap verdwenen. Foto: Jeroen Kleiberg

De dorpen en stadjes met bakstenen huizen maken plaats voor gehuchten van lemen huizen met stro-en daken. We passeren stadjes met onuitspreekbare namen als Ambohimahasoa en Ambatofinandrahana en Fianarantsoa. Zelfs de locals struikelen over deze onmogelijke namen. Afkorten is daarom heel normaal. Zo zijn we gestart in Tana en zijn we via Ambo, Amba en Fianar, over rode onverharde wegen in de regio Andringitra terecht gekomen.

Fietsen over onverharde wegen. Foto: Jeroen Kleiberg

Voor natuur moet je in Madagaskar in één van de bijna 40 beschermde gebieden zijn. Daar is nog de biodiversiteit te vinden waar het land beroemd om is. Daar zijn planten en dieren die nergens anders ter wereld te vinden zijn, waarvan de ruim 100 soorten maki’s de beroemdste zijn. Buiten de beschermde gebieden heeft de van rijst en zebu (het lokale rund) afhankelijke cultuur, geleid tot de ontbossing van het grootste deel van het land. De 10 procent die nog resteert, staat onder grote druk van de toenemende bevolking. Overal zijn mensen aan het hakken en zagen voor hout om op te koken. Hele stukken tegelijk worden afgebrand om plaats te maken voor terrassen vol met rijst.

Ringstaartmaki’s in Andringitra. Foto: Jeroen Kleiberg

We zijn blij dat we op een plek zijn aangekomen met meer bomen en beestjes dan mensen. In Andringitra lopen we door bossen vol ringstaart maki’s die vrolijk piepen en knorren. Over paden van rode aangestampte aarde door hoge grassen, waarvan de zaden zich als kleine naalden door onze sokken boren. Op de top van de 1.600 meter hoge Kameleon genieten we van de stilte en het uitzicht op de roodbruine bergen met daartussen een paar van de hoogste toppen van Madagaskar. Lang blijven we niet alleen. Vanuit de diepte zien we iemand in een blauw jasje rennend de berg opkomen. Op een tiental meters bij ons vandaan gaat hij hijgend zitten. ‘Bonjour, ça va’, begroeten we elkaar beleefd. Met zijn geplastificeerde pasje en een jasje met de tekst ‘polis’ maakt hij een officiële indruk.

Het nadeel aan de nationale parken in Madagaskar is dat het niet de bedoeling is dat je er zelfstandig aan de wandel gaat

Het nadeel aan de nationale parken in Madagaskar is dat het niet de bedoeling is dat je er zelfstandig aan de wandel gaat. Paden zijn er maar beperkt en een gids is verplicht. In Ranomafana National Park lopen we met een gids een paar kilometer door het regenwoud om verschillende soorten maki’s en hagedissen te spotten. Van onze wens een flink eind te lopen komt niet veel terecht. Daarom kiezen we er in Andringitra voor om buiten het Nationale Park te blijven. Vrij wandelen op de hier goed aangegeven paden. Vrij als een vogel komen we zo terecht op de top van de Kameleon, waar we gezelschap krijgen van een verlegen jongeman met een officiële functie.

We voelen ons klein en nietig in Andringitra. Foto: Jeroen Kleiberg

Na een half uur zwijgend bij elkaar te hebben gezeten gaan wij weer naar beneden. ‘Au revoir’ begroeten we elkaar weer beleefd. Na deze uitgebreide communicatie is de jongen niet meer van plan alleen op de top achter te blijven. Hebben we hier te maken met iemand die ons ongevraagd komt begeleiden en straks geld wil hebben omdat hij onze gids is geweest? Niet veel later snelt onze nieuwe vriend in het blauwe jasje ons weer voorbij. ‘Au revoir’ begroeten we elkaar weer vriendelijk gedag. Beneden in het dorp slaan we links en rechts door de stoffige rode straten langs de paar lemen huizen. Al snel hebben we gezelschap van onze vriend met het blauwe jasje die dit keer met versterking is gekomen.

Als ware criminelen worden we verzocht mee te komen naar het lokale toeristenbureau

Als ware criminelen worden we verzocht mee te komen naar het lokale toeristenbureau. Hier wordt ons duidelijk gemaakt dat we in overtreding zijn. Het is dan wel niet het nationale park, hier is de regel dat er niet alleen wordt gewandeld. Het begeleiden van toeristen is de werkgelegenheid voor de lokale bevolking en daar kom geen speld tussen. Dit betekent dat zelfs een bezoekje aan een nabijgelegen dorp onder begeleiding moet worden ondernomen. In het kantoortje hangt een prijslijst om dit te onderstrepen. Het beklimmen van de Kameleon kost omgerekend 17 Euro en voor een begeleide wandeling door de dorpen moet een tientje worden betaald. Als ze hier vaker fietsers hadden gehad, was er vast iets bedacht om begeleid te moeten fietsen.

Wandelen tussen granieten boulders en kliffen. Foto: Jeroen Kleiberg

Maar ja, nu we er toch zijn: dit rauwe landschap van granieten boulders en kliffen vraagt om nog een wandeling. Eigenwijs als we zijn, willen we dit doen zonder gids en met een overnachting hoog in de bergen. Voor 25 Euro ontvangen we een ticket met een officiële stempel. Wij zien niet langer in overtreding. Voorzien van proviand en liters water gaan we omhoog. Het landschap is divers en vol verrassingen. Van het bos vol maki’s klauteren we langs verticale granieten wanden. Door palmbossen en over gladde steile hellingen gaan we helemaal naar boven. Bijna 1.100 meter hoger hebben we een panoramisch uitzicht over de wijde omgeving. Beschut tussen roodbruine stenen zetten we de tent en koken we de pasta. Niet veel later is het donker en schuift de Melkweg als een witte waas langzaam langs de hemel. Miljoenen sterren staan er te schitteren. De stilte is adembenemend. Diep beneden schijnen een handvol eenzame lichtpunten van de paar dorpen met maar beperkt elektriciteit.

We glibberen en glijden over onmogelijk steile hellingen. Foto: Jeroen Kleiberg

De volgende dag glibberen en glijden we over onmogelijk steile hellingen nog verder naar boven. Uit spleten in het granieten massief horen we gesis en gefluit van de reusachtige kakkerlakken, waarmee de hagedissen zich hier voeren. De vegetatie bestaat uit vetplanten en kaktussen. Om de route te volbrengen moeten we over de hoogste top. Meer dan eens knikken onze knieën en slaat onze hartslag een paar keer over. De route wordt aangegeven door her en der opgestapelde stenen. De uitgezette route lijkt suïcidaal. We beginnen te begrijpen dat een gids soms wel handig kan zijn.

Een misstap hier en we zijn er geweest. We besluiten dat we nog langer willen blijven leven

Het pad loopt dood bovenop een granieten rots. Links, rechts en recht vooruit, valt de aarde honderden meters loodrecht naar beneden. Een misstap hier en we zijn er geweest. We besluiten dat we nog langer willen blijven leven. Dat we nog een stukje verder willen fietsen. Dat we nog andere delen van Madagaskar willen ontdekken. In plaats ons als lemmingen in de dood te storten, keren we om. Langs dezelfde lange weg weer terug. Terug naar onze bungalow tussen de apen en de bomen. Terug naar onze fietsen voor onze volgende etappe door Madagaskar.

Jeroen Kleiberg Madagaskar

Madagaskar | Rijstvelden en bakstenen

Van rustig fietsen is in Madagaskar geen sprake. ‘Vazaha! vazaha!’, klinkt het vanuit opgewonden kinderkeeltjes. Al van verre zijn we gespot door de kinderen die breed lachend naar de weg komen rennen. Er is een witte buitenlander gesignaleerd en dat is groot nieuws. Die gekleurde fietstassen puilen vast uit van de bonbons, stylos en andere cadeaus. Het rumoer draagt ver en overal schieten de alerte kinderhoofdjes overeind. ‘Vazaha! vazaha!’ klinkt het de hele dag door. Hele dorpen zijn overspoeld met donderbruine kinderen met snottebellen aan hun vieze gezichten. Een aanhanger vol snoep zou nog niet genoeg zijn om alle wensen te vervullen.

Read More

Kaapverdië | Dansen op de vulkaan

Stipt op tijd staat de ‘colectivo’ voor de deur om mij naar Chã das Caldeiras te brengen. Toeterend rijden we een paar rondjes door de smalle straatjes met gekleurde huisjes van São Filipe. Op zoek naar medepassagiers en de nodige pakketjes om elders af te leveren. We rijden over de flanken van de vulkaan, waar kleine boeren de rode aarde bewerken voor wat groente en fruit. Af en toe wordt er gestopt om een pakket af te leveren aan een breed lachende Kaapverdiaan. Het beroep van postbode en taxichauffeur gaan hier hand in hand.

Read More

09 – Marokko | Tamnougalt – Marrakesh (276 km)

Het is hier beduidend warmer dan in de andere plaatsen die we hebben bezocht. ’s Nachts hebben we het niet koud en opstaan is geen strafmaatregel. Helaas is de tijd wel gekomen om terug te keren naar Marrakesh, maar niet voordat we uitgebreid hebben ontbeten op het dakterras. Wederom onder een donkerblauwe, geheel wolkeloze, hemel waarin een aangename ochtendzon staat te stralen. Ibrahim komt van een arme familie uit Merzouga. Ze verdienen hun geld met dromedaris tochten door de woestijn voor de toeristen. Er zijn nu alleen geen toeristen. Om toch wat te verdienen, werkt Ibrahim noodgedwongen in Tamnougalt. Hij spreekt een beetje Engels en wat beter Frans. Hij is de beste dienstverlener van Marokko en daarom krijgt hij van ons een speciale fooi van 50 Dirham. Read More

08 – Marokko | Tamnougalt

Ontbijten doen we op het zonnige dakterras van hotel Chez Jacob. Beneden rijden de mensen op hun ezels naar hun akkers in de oase. Chez Jacob serveert het beste ontbijt dat wij in Marokko hebben mogen ontvangen: schaaltjes vol verse jam en honing om de pannenkoeken mee in te smeren en op koffie en thee wordt niet bezuinigd. Hierna zijn we klaar voor een wandeling door de omgeving. De lemen bebouwing van ksar Tamnougalt is deels ingezakt en ingestort. Het is een doolhof door poorten, kleine hoekjes en loze ruimten. Sommige huizen zijn nog bewoond. Dat is te zien aan het elektriciteitskastje naast de poort of deur. Het is aan de façade niet te zien wat er aan de andere kant gebeurt, hoe groot de woning daar achter is. Achter een ingezakte muur kan best een paleis schuil gaan! We staan in een ruïne zonder dak, terwijl er achter een venster muziek klinkt. Roedels honden zwerven door de stoffige straten. Ezels vervoeren de mannen en vrouwen van Tamnougalt naar hun akkers in de oase langs de Oued Draa, met 1.100 km de langste rivier van Marokko. De akkers zijn met lemen muren van elkaar gescheiden. Veel mensen hebben hun akker afgesloten met een deur van hout, blik of elk ander materiaal dat voorhanden is. Een uitgebreid netwerk van irrigatiekanalen distribueert het water van de rivier naar de individuele akkers. Overal staan de multifunctionele dadelpalmen, die naast voedsel ook brandhout en bouwmaterialen leveren. Men is er dan ook erg zuinig op. De enige dadelpalmen die worden gekapt, zijn de palmen die geen dadels geven. De dode bladeren worden voortdurend verwijderd en dienen als brandstof. In sommige palmen hangen nog dikke trossen dadels. Het overgrote deel van de mensen is ontspannen en vriendelijk. Een paar vieze kinderen bedelen om ‘bonbon, stylo, dirham’. Negeren werkt. Het blijft gelukkig een uitzondering. Het overgrote deel van de kinderen begroet ons enthousiast met een bonjour, een lach en een zwaai.

Het is een mooie dag met een bijna donkerblauwe lucht. De dreigende, kleurloze lucht van de vorige dag is verdwenen. Het landschap is een beetje surrealistisch. De half ingestorte en ingezakte bruin lemen bebouwing contrasteert enorm tegen de diep blauwe lucht. De wuivende palmen met hun diepgroene kleuren en de bloesemdragende pruimen vormen de voorgrond. Op de achtergrond staan de rood-paars-bruine kliffen van de Jebel Sarhro. Duizenden vogels noemen dit lustoord hun huis en laten dit met luid gekwetter aan iedereen weten. Als er zo iets is geweest als de ‘Hof van Eden’, dan zal de aanblik daarvan niet veel hebben afgeweken van het plaatje waar wij nu onderdeel van zijn.

Tamnougalt bestaat uit vier, volledig uit leem opgetrokken ‘ksars’, die langzaam inzakken en tot stof aan het vergaan zijn. De laatste jaren is er een nieuwe kern ontstaan. Hier geen gebruik van leem, maar karakterloze lage betonnen gebouwen. De inwoners van Tamnougalt trekken echter graag naar deze woningen, omdat de oude lemen huizen te veel reflecteren aan armoede. Tamnougalt is ontstaan langs de karavaanroute tussen Timbuktu en Marrakesh. De bouwstijl was er op gericht bescherming te bieden tegen het extreme klimaat van de Sahara en als verdediging tegen indringers van alle soorten en maten. De eerste ‘ksar’ was bestemd voor de belangrijke bewoners, die zich rond de versterkte ‘kashba’ vestigden. De tweede kern was bestemd voor de arbeiders en de slaven. De kooplieden hadden hun eigen ‘ksar’, net als de Joden. De karavaanroute liep er dwars doorheen. Naar het schijnt werden hier in de jaren vijftig van de 20e eeuw nog slaven verhandeld, die waren geroofd uit de zuidelijke delen van de Sahara. Wij vinden het hier erg fijn en bijzonder. Het is een plaats met een indrukwekkende ligging en een vriendelijke bevolking. De vrouwen hier worden echter geacht niet in aanraking te komen met andere mannen. We komen ze dan ook niet tegen, behalve dan op grote afstand op de velden. De huizen zijn ook zo ontworpen dat de gasten niet in aanraking kunnen komen met de vrouwen van het huis.

07 – Marokko | Merzouga – Tamnougalt (289 km)

Om 6.00 gaat de wekker. Opstaan, aankleden en de koude woestijnnacht in. Op tijd om de zonsopgang te kunnen bekijken. Voordeel van Nasser Palace is dat het direct aan de voet van de zandduinen ligt; ver lopen is dus niet nodig. De blauwroze hemel vormt het canvas voor de zwarte silhouetten van de zandduinen en de palmbomen. Een paar Marokkaanse toeristen rijden op een dromedaris tegen de hoogste duin op. In de oase beginnen de vele vogels te kwetteren. Een nieuwe dag is aangebroken. Het is lang niet zo koud als dat het in Zouala was, misschien komt dat doordat Zouala aan de voet van de besneeuwde toppen van de Hoge Atlas ligt. Op de kantelen van het paleis hotel wordt het ontbijt geserveerd. Uitkijkend over de zandduinen van de Erg Chebbi en het grote zwembad op de binnenplaats van het lemen hotel. Een bizar contrast, vooral in vergelijking met de naastgelegen stoffige en armoedige plaatsen Merzouga en Hassilabied.

We rijden de bijna 30 kilometer terug naar Rissani. Dan slaan we af op de N12 richting Zagora. De lucht is strakblauw en het is warm. Voor het eerst zitten we alleen met een T-shirt aan in de auto. Het land waar we doorheen rijden is indrukwekkend leeg. De ondergrond bestaat uit kiezels en keien. De lemen dorpen van de Tafilalt hebben we achter ons gelaten. De zeldzame gebouwen die we nu passeren zijn van steen en beton. Ander verkeer is er bijna niet. Af en toe komt er een afgeladen bestelbus voorbij gereden. Links en rechts liggen kale, rauwe bergruggen met verticale aardlagen. Het landschap doet ons erg denken aan de Australische leegte. Een tijdje rijden we achter een busje, waarop iemand gratis lijkt mee te liften. Dan gooit hij zijn sigaret weg en stapt de rijdende bus weer in. Wacha, wacha, hij was gewoon even naar buiten gestapt om een peuk te roken. Het landschap is erg fotogeniek. Dan weer helemaal kaal, met fantastische vergezichten op de rauwe bergen die zich van het westen naar het oosten uitstrekken. Her en der in het landschap staan solitaire bomen, als zouden we over een savanne rijden. Olifanten, zebra’s, leeuwen en giraffen zouden in dit landschap niet misstaan. Helaas zijn deze dieren hier allang uitgestorven en beperkt de fauna zich tot dromedarissen en ezels.

In Tazzarine drinken we langs de weg een kopje koffie en thee, die ons door een doortrapte man wordt geserveerd onder het uitroepen van ‘allemachtig prachtig, een dag niet gelachen is een dag niet geleefd’. Subtiel begint hij een gesprek over et toerisme in het algemeen en de Nederlanders in het bijzonder. Vooral ook over de studenten Geologie en mensen die hij kent van diverse internationale beurzen en exposities over fossielen. ‘Heb ik al verteld dat ik met mijn foto in een boek sta? Ik ben een beroemdheid!’ ‘Heb ik al verteld dat ik een winkel heb? Ik zal jullie eens vertellen hoe je echte fossielen kan herkennen. Even wachten, ik zal wat voorbeelden daarvan uit mijn winkel pakken.’ Het is erg jammer dat de Marokkanen altijd iets van je willen. Zomaar een onbaatzuchtig gezellig praatje kun je eigenlijk vergeten. Er moet geld aan je worden verdiend.

In Transihkt sluit de N12 aan op de N9. Dit is de weg die door de Draa vallei loopt, die wij voor 20 kilometer in noordelijke richting volgen. Het waait stevig en het is zelfs bewolkt. Bij nader inzien blijkt het een stofstorm te zijn die door de vallei blaast. Alle kleur is uit het landschap verdwenen. Tamnougalt is een uitgestrekte ‘ksar’ aan de rand van het palmbos van de Oued Draa. Dit is misschien wel de meest spectaculaire en bijzonder ksar van de omgeving. Het dorp was ooit de hoofdstad van de streek. Nu is het een rommelige verzameling lemen bouwwerken. Over een zandweg rijden we door de poort van de ‘ksar’ en parkeren onze auto voor hotel ‘Chez Jacob’. Het is een authentieke lemen versterkte woning van 500 jaar oud. Voor 450 Dirham krijgen we een ruime, koele kamer met douche en uitzicht over het palmbos. Het ontbijt en avondeten zijn bij de prijs inbegrepen. We zijn de enige gasten. De service is de beste die we in Marokko hebben mogen ontvangen. Onze gastheer heet Ibrahim en hij zorgt er voor dat het aan ons niets te kort komt. ‘This is your house, saha!’

Vanaf het dakterras kijken we uit over het palmbos en de tot ruïnes vergane lemen bouwwerken. Na de onvermijdelijke ‘berber whisky’ maken we een rondje door de indrukwekkende ruïne van de ‘ksar’. Buiten, op het pleintje voor het hotel, staat een donkere Marokkaan die ons graag wil rondleiden in de naastgelegen, gerestaureerde Kashba. Alleen vandaag geopend, dus als we slim zijn gaan we met hem mee. Niet dus, want we zijn net aangekomen en willen graag eerst zelf ontdekken waar we zijn. Morgen is er weer een dag, Inshallah. De beste man achtervolgt ons, want die ziet zijn wandelende ATM al als sneeuw voor de zon verdwijnen. In één van de vele geheime vakjes binnen de ksar verstoppen we ons. We horen hem passeren, wachten nog even en als de kust weer veilig is gaan we verder met onze eigen ontdekkingstocht. 1-0 voor de toerist. Al dwalend komen we in een andere ‘ksar’, waar we worden uitgenodigd voor een onbaatzuchtig kopje ‘Berber Whisky’. In de rijk gedecoreerde eetzaal van Chez Jacob wordt om 19.00 uur het diner door Ibrahim geserveerd. Niet alleen heeft dit hotel de beste service, ook de beste bediening en naar nu blijkt ook het beste eten van heel Marokko. Het diner bestaat uit een salade, tajine met omelet, couscous met kip en groenten en een toetje van ijs en fruit.

06 – Marokko | Zouala – Merzouga (102 km)

Ontbijten doen we met pannenkoeken en honing. De koffie en thee worden geserveerd in mooie, glimmende kannen. De warme melk komt apart. Buiten staat onze auto met het ijs op de ramen te wachten op de eerste zonnestralen die over de rand van de kloof komen. Onder de bomen staat nog één ezel te wachten. De andere is al vroeg vertrokken naar de velden. Zaïd raadt ons aan om in Merzouga te logeren in Nasser Palace. We vervolgen onze weg door de Tafilalt oase in zuidelijke richting, waarbij we het water van de Oued Ziz blijven volgen. Kleine wegen voeren ons door kleine dorpen met lemen huizen. Het leven hier lijkt tijdloos te zijn. Het palmbos blijft dichtbegroeid, maar de kloof opent zich langzaam. De wanden worden lager en komen verder uit elkaar te liggen. De weg voert over een kale, nietszeggende vlakte, naar het van fantasieloze hotels vergeven Erfoud.

Na Erfoud neemt het landschap indrukwekkende vormen aan. Tussen de palmbomen en de beginnende zandduinen liggen de restanten van in meer of mindere mate ‘gesmolten’ lemen dorpen en ‘kashba’s’. De kasba of kashba is het verdedigbare deel van de medina. Het gebouw kenmerkt zich door hoge muren. Vroeger werd deze gebruikt als woning voor het dorpshoofd. Rissani blijkt een drukke bedoening te zijn, waar een ‘souk’ wordt gehouden. Het is er een drukte van belang. Auto’s, ezels, karren, kramen, mensen met en zonder handelswaar, bussen. Alles gaat dwars door elkaar en wij rijden ons zelf bijna vast in deze chaos. Heel anders is de route rond Rissani, die ons van de ene indrukwekkende ‘ksar’ naar de andere leidt. Een ‘ksar’ is een versterkt dorp van een specifieke stam. Het zijn massieve bouwwerken die bij gebrek aan ander materiaal zijn opgetrokken uit klei van de rivieroevers (pisébouw). Deze unieke en waarschijnlijk inheemse bouwwerken van de Berbers zijn vaak monumentaal en de buitenmuren en de schuine torens zijn prachtig versierd met krachtige reliëfs en schilderingen van geometrische patronen. De lemen dorpen liggen in een uitgestrekte oase, maar de dichtheid van de palmen is lang niet zo groot als in de Ziz-vallei. De meeste vrouwen in dit meest zuidelijke deel van de Tafilalt, dragen een alles bedekkende zwarte sluier, waaronder alleen de ogen nog net zichtbaar zijn.

Voorbij de oase van Rissani zien de roodbruine zandduinen van Erg Chebbi opdoemen. Een ‘erg’ is een zandzee of een binnenlands zandduingebied dat groter is dan 125km². Deze ‘erg’ is zeker niet de grootste van de Sahara, maar wel heeft het indrukkende zandduinen van 150 meter hoogte. Over een verharde weg rijden we naar de voet van de zandduinen. Naast de hoogste zandduinen ligt Nasser Palace. Een ‘over-the-top’ uit leem opgetrokken paleis met een zwembad binnen de kantelen. We hebben het complex geheel voor ons zelf. Niet dat dit ons heel veel kan schelen, want we zijn meer geïnteresseerd in de beklimming van de hoogste duin. Vanaf de top kijken we in oostelijke richting uit over Algerije. Tussen hier en de Nijl, 5.000 kilometer verderop ligt alleen maar zand, gruis en stenen. Welkom in de Sahara.

Langzaam zakt de zon naar de westelijke horizon. Het zand kleurt naar rood, paars en bruin. De schaduwen worden langer, waardoor er nog meer zandduinen in de zee van zandduinen zichtbaar worden. Om 20.00 uur is het geheel donker en straalt Nasser Palace ons tegemoet. Het is verlicht als ‘Porno Palace’. Ook al zijn we de enige gasten, toch is men vergeten voor ons te koken. Ze doen echter hun uiterste best om het goed te maken. In het restaurant krijgen we eerst thee en wordt speciaal voor ons een CD met Ciline Dion en Mariah Carrey opgezet. Vanzelfsprekend ook een tandje te hard. Een warm gevoel ontstaat van binnen, want wie zou er nou niet genieten van die muziek, als je ook zou kunnen genieten van de stilte van de woestijn? Het diner bestaat uit drie gangen: soep, gemengde salade en een tajine waar een elders gegaarde kip is gelegd. Erg bizar om de enige gasten te zijn in een paleis dat prima had kunnen figureren in de verhalen van 1001-nacht.

05 – Marokko | De Tafilalt-oase

Bedekt door vijf dikke wollen dekens hebben we de koude nacht doorstaan. Om acht uur staan we ons buiten in het zonnetje op te warmen, die aan de strakblauwe hemel staat te stralen. Om 8.30 uur worden we naar binnen geroepen voor het ontbijt van pannenkoeken, brood, jam en honing. Het lukt de eigenaar niet ons een gids aan te smeren. De vallei willen we vandaag graag zelf verkennen. We volgen de smalle paadjes door de oase in noordelijke richting. Het leven is nog niet op gang gekomen. Over kleine paadjes lopen we door het palmbos, langs kleine akkers die worden bewaterd met een ingenieus irrigatiesysteem. Via kanalen en goten van leem en stenen, wordt het water van de Oued Ziz door de oase geleid. Met stenen en leem worden openingen afgesloten om de stroom te leiden. De ochtend is al ver gevorderd als we meer mensen beginnen tegen te komen. Per ezel verplaatsten ze zich door de oase. Een familie is druk met de olijvenoogst. Met stokken slaan ze op de takken, zodat de olijven op de grond vallen. Ze worden verzameld om er olie van te kunnen maken. Na met de mannen (de vrouwen blijven lacherig op afstand) een ‘berber whisky’ te hebben gedronken, lopen we weer verder.

De oase Tafilalt is met 150 km2 de grootste oase van Noord-Afrika. Er staan meer dan 100.000 dadelpalmen. De rivieren Gheris en Ziz leveren het water dat landbouw in deze streek mogelijk maakt. De Tafilalt was eeuwenlang het belangrijkste Marokkaanse eindpunt van de karavaanroutes, zoals de beroemde Zoutroute naar Timboektoe. Tegenwoordig bestaat de bevolking van de Tafilalt uit kleine boeren. De mensen hier zijn mooi en vriendelijk. De ouderen hebben verweerde, karaktervolle gezichten. De vrouwen dragen een hoofddoek, maar de kleding is kleurig en vrolijk. Alleen door het ontbreken van waterbuffels en door de rode rotswanden die boven het palmbos uitsteken, wordt bevestigd dat we niet in Laos zijn. Het plaatje is verder bijna gelijk aan Don Det in het zuiden van Laos. Het water van de Oued Ziz doet niet vermoeden dat we ons in de Sahara bevinden. Het leven in deze vruchtbare oase lijkt geen vervelend leven te zijn. Er is genoeg water en de vallei biedt beschutting tegen de enorme hitte en stofstromen van het plateau hierboven. Verder valt er van een ongelimiteerde hoeveelheid dadels te genieten. In de oase blijkt het relatief koel en is er schaduw. Nu is het midden in de oase aangenaam warm, maar tegen de rotswand wordt het heet. Zomers brandt de zin al het leven uit de steenwoestijn hierboven.

’s Middags rijden we met de auto over de verharde weg die in noordelijke richting door de kloof loopt. We passeren een paar dorpen met lemen huizen waar een ‘salaam’ of ‘bonjour’ bij iedereen een lach doet ontstaan. De weg loopt langzaam naar boven, tot we het lege plateau bereiken waar niets je doet vermoeden dat we ons een direct boven een vruchtbare vallei bevinden. We rijden naar Meski, naar de bron van de Oued Ziz, waar we in een pension annex restaurant hartelijk worden ontvangen en een omelet voorgeschoteld krijgen. We kijken daarbij uit over de ruïnes van een oude vesting: ‘ksar Oulad Aissa’. Wij dalen weer af in de kloof, waarbij we 5 Dirham moeten betalen om de camping en het zwembad naast de bronnen van de Oued Ziz te mogen betreden. Ook worden we uitgenodigd voor een kopje thee zonder verplichtingen in een tapijtshop. Als we deze uitnodiging afslaan, wordt ons diep beledigd gevraagd of we dan misschien kleding of iets tegen hoofdpijn nodig hebben. Liever lopen we een stukje door de velden van dit deel van de oase, waarin mensen staan te werken en ezels staan te wachten, zoals alleen ezels wachten kunnen. Ibissen (witte reigers) staan maar een beetje te staan en duizenden mussen, mezen en vinken bevolken de bomen en het riet.

Vanaf de ruïnes van de indrukwekkende Oulad Aïssa, kijken we uit over het surrealistische landschap van de Tafilalt. Op de rand van de kloof staan de silhouetten van een kudde dromedarissen. De achtergrond wordt gevormd door de kale bergen van het Atlas gebergte. Op het uitzichtpunt boven ons dorp drinken we een glaasje thee met de eigenaar van ons guesthouse. Hij spreekt Engels, Frans, Arabisch en Berber, wat het hebben van een echt gesprek vergemakkelijkt. Wij vragen ons af hoe het kan dat er geen andere toeristen zijn. Dit komt doordat we net de dip voor het hoogseizoen te pakken hebben, dat volgende maand begint. Omdat we inmiddels hebben geleerd dat het gebruik van ‘Inshallah’ de beste manier is om gezeur over toertjes te beëindigen, is dat nu ook snel afgelopen. Het komt zoals het komt, vandaag is vandaag en morgen is weer een nieuwe dag. Hij vindt dat wij bijzondere toeristen zijn. Reizigers eigenlijk, omdat we willen begrijpen waar we zijn, wie we tegenkomen en het liever op onze eigen, zelfstandige en tikkeltje eigenwijze manier doen. In deze balans is het onbaatzuchtig gezellig.

Het avondeten wordt geserveerd in de grote ruimte vol kleden, tapijten en schalen. Dit keer eten we couscous met kip, wortel, witte wortel en courgette. Deze couscous is ‘very wacha’, wat Berber is voor ‘OK’. Na het eten worden we uitgenodigd bij het kampvuur, waar grappen worden gedeeld en thee wordt geschonken, die met de klok mee wordt geserveerd. Hoe krijg je in drie stappen een dromedaris in een koelkast vraag Zaïd? Je opent de koelkast, je duwt de dromedaris er in en dan sluit je de deur. Hoe krijg je dan een olifant in vier stappen in die koelkast? Je opent de koelkast, je laat de dromedaris er uit, je duwt de olifant er in en dan sluit je de deur. Vraag nummer drie ging over een bruiloft van een leeuw, waar alle dieren op eentje na aanwezig waren. Welk dier ontbreekt er op de bruiloft? De olifant natuurlijk, want die zit in de koelkast.

04 – Marokko | Skoura – Zouala (291 km)

Het is hier stil en koud. We hebben de wekker gezet om 7.30 uur, om van de mooie ochtend te genieten. De besneeuwde toppen van de Hoge Atlas vormen de achtergrond van het palmbos van Skoura, met daartussen verspreid staande lemen huizen. Het ontbijt bestaat uit brood, pannenkoeken en verse jus d’orange. Tussen de vier torens van ons privé kasteel genieten we van het uitzicht over de oase en de witte bergen. In plaats van direct weer te vertrekken, laten we ons begeleiden door de uitgestrekte oase van Skoura. Ons gids is de broer of de neef van de eigenaar van de kashba. Maar misschien ook wel de ‘patron’, wat dat ook mag betekenen. Hij spreekt alleen Frans, maar toch denken we het verhaal goed te kunnen volgen. In de oase van Skoura wonen 30.000 mensen. Dit zou je op het eerste gezicht niet zeggen, maar vanaf een uitzichtpunt kunnen we goed zien hoe uitgestrekt de oase is. Het is een grote groene rechthoek met daartussen een brede rivierbedding, midden in een voor de rest leeg, rood-bruin landschap. Bijna alle gebouwen zijn gemaakt van een mengel van leem en stro. Een deel wordt onderhouden en is bewoond. Een ander deel vervalt langzaam tot stof. De rechte stammen van de dadelpalmen vormen ideale basis voor de constructies.

Ook vandaag is de lucht weer blauw. Er is geen wolkje te bekennen. In onze kleine grijze auto rijden we over kleine zandwegen. Door akkerland, waar maïs, aardappelen, koriander en tomaten worden verbouwd. De palmeria is een collectief stuk van de oase, waar de bewoners dadels kunnen oogsten. Het mag dan in handen zijn van het collectie, het hangt van de familie af hoeveel je er van mag gebruiken. Verspreiding van ziekten wordt tegengegaan door het verbranden van de zieke dadelpalmen. Een lange rij met diepe gaten in de bodem, blijkt te duiden op een 20 kilometer lang ondergronds kanaal, dat water vanuit de bergen naar de oase leidt. Het kanaal is helemaal met de hand gegraven en al minimaal 2.000 jaar oud. Onze tour van ruim 2 ½ uur, wordt afgesloten met de verplichte ‘Berber Whisky’, oftewel zoete muntthee. Ook al hebben we de gids geregeld via ons hotel en hebben we duidelijk aangegeven verder niets te willen, toch kunnen ze het niet laten ons de thee op te dringen in de lokale tapijtshop. Heel toevallig ook weer een neef, oom of wat dan ook van de gids. Het is niet zo maar een tapijtwinkel, het is er een waar we echt niet iets hoeven te kopen. De gastvrijheid is het enige dat telt. Maar heb ik je al verteld waar onze tapijten vandaan komen en dat ze heel voordelig zijn. Hier, ik zal je er een paar voorbeelden van laten zien, enz. Na 15 minuten staan we weer buiten. Zonder tapijt, want wij hoeven geen tapijt en ook geen sieraden, dolken of een mooi boek. We hoeven eigenlijk helemaal niets. We betalen onze gids 150 Dirham voor de tour door de oase, danken hem vriendelijke en zeggen gedag.

Om 12.30 uur rijden we verder. Het is een lange en vooral erg indrukwekkende route door een kaal en droog landschap. In het noordwesten vormen de besneeuwde toppen een langzaam veranderend panorama. Tussen Boulmalne du Dades en Tinghir neemt de dichtheid aan bebouwing toe. Lemen huizen worden afgewisseld met clusters betonnen laagbouw, shopjes en werkplaatsen. Tussen deze lelijkheid staat enige tientallen vervallen en minder vervallen kashba’s, waar deze route haar naam aan heeft ontleent. Na Tinghir rijden we verder naar het oosten, naar Er Rachidia. De bergen in het noorden worden lager. De besneeuwde toppen hebben plaatsgemaakt voor een roodbruine, rauwe kartelrand. De bergketen ten zuiden van ons, waar we al sinds Ouarzazate langsrijden, verkruimelt langzaam tot niets. Af en Het monotone landschap wordt af en toe onderbroken door een oase vol dadelpalmen. Na Goulmima rijden we door een uitgestrekte, grint en kiezel woestijn. Deze monotonie wordt onderbroken door de zoveelste politiepost, waar we om onduidelijke redenen langs de kant van de weg stil moeten staan. In een mengelmoes van Frans en Arabisch krijgen we de ene uitbrander na de ander, afgewisseld met namen van Nederlandse voetballer en hartelijk gelach. We snappen er niets van. Waar we naar toe gaan, is de vraag. Als we zeggen dat we naar Er Rachidia onderweg zijn, leidt dit weer tot een hoop gelach. Regelmatig valt het woord ‘Fraction’. Een woord dat we niet kennen. Plotseling mogen we doorrijden. Dit was een bijzondere combinatie van gezag en gelach.

Voorbij het uitgestrekte Er Rachidia, waar zelfs stoplichten zijn, rijden we over een rode vlakte met niets. De totale rode leegte is indrukwekkend. Als we een punt moeten noemen waar de Sahara begint, zou het hier zijn. Plotseling ligt er een gapende kloof die het rode plateau opensplijt. De kloof strekt zich uit naar alle kanten en is gevuld met een groene waas van miljoenen dadelpalmen. Dit is de Ziz vallei: een route vol weelderige en verrassend fotogenieke landschappen. Wij nemen de afslag naar Zouala en dalen af naar de bodem van de vallei. Daar nemen we onze intrek in een traditioneel Berberhuis, voor 200 Dirham per persoon. Dit is inclusief ontbijt en diner. We zijn de enige gasten in dit grote huis. We worden gastvrij ontvangen en komen niets te kort.

03 – Marokko | Marrakesh – Skoura (243 km)

Nadat we hebben ontbeten op het dakterras, met uitzicht over de medina tegen een achtergrond van de besneeuwde toppen van de Hoge Atlas, lopen we in het zonnetje naar Budget in Ville Nouvelle. Mevrouw Budget zit een boekje te lezen in de zon. Om 10.15 uur komt de Suzuki voorgereden. Om discussie bij het terugbrengen te voorkomen maken we foto’s van de buitenkant. Dan zijn we klaar om te vertrekken. Het verkeer is chaotisch en men rijdt nogal creatief. Het verkeer bestaat uit auto’s, fietsers, scooters en ezelkarren. Niet zelden wordt er tegen het verkeer ingereden. We rijden achter een vrachtwagen met olijfbomen. Vanaf Marrakesh is het een kaarsrechte weg door een rommelig landschap vol acacia’s en dadelpalmen en hier en daar een omheinde woning of een resort. De witte toppen van de Hoge Atlas schitteren ons tegemoet. Langzaam beginnen we te beklimmen, eerst maar een beetje en dan steeds duidelijker en steiler. Het land is rood en droog. De regen heeft diepe groeven achtergelaten in de voedselarme rode leembodem. Na Touama beginnen het serieuze klimmen. Het land is ruig en de weinige dorpen zien er armoedig uit. Geplakt tegen de helling en met de kleur van de bodem, vallen ze weg tegen de achtergrond.

De N9 is de hoofdroute over de Atlas. De verbinding tussen de vruchtbare en dichtbevolkte kustgebieden en de Sahara. Het aantal vrachtwagens dat langzaam omhoog kruipt is groot. Het toenemende aantal haarspeldbochten en het ruiger wordende terrein maakt deze rit erg boeiend. Hoger dan 1.650 meter passeren vieze en versleten nederzettingen. In Taddert is het een grote chaos, maar wel een chaos waar we stoppen voor de lunch. We eten tajine op een buitenterras boven een bergrivier en met uitzicht op de schitterende witte toppen. Daarna wordt het ernst. Voor de 2.260 meter hoge Tizi n’Tichka pas is een recordaantal haarspeldbochten gebruikt. We rijden inmiddels door de versgevallen sneeuw, waarin een bus van de weg is geraakt. Na de pas dalen we af naar de Sahara, terwijl we nog geruime tijd tussen de sneeuw rijden. De rauwe, kale bergen zijn paars, rood en bruin. Ook aan deze zijde van de bergen hebben de nederzettingen dezelfde kleur als de omgeving. De weinige vegetatie bestaat uit bloeiende cactussen en in de rivierbedding dadelpalmen en een soort riet.

Ouarzazate is een grote stad en de poort tot de Sahara. Het duurt even voor we er door zijn, maar dan rijden we over de N10 in noordoostelijke richting. Dit is de zogenaamde ‘Route des Kashba’s’ door de Vallee des Dades. Ongeveer 30 kilometer oostelijk van Ouarzazate komen we door Skoura: een stoffige straat met stoffige betonnen gebouwen. Op het eerste gezicht weinig boeiend. We slaan af op een ‘piste’ (zandweg) en komen uit bij Kashba les Nomades. Het is een lemen kasteel/fort, waar we voor 150 Dirham een torenkamer krijgen. Omdat er verder geen gasten zijn, kunnen we concluderen dat we overnachten in een privé kasteel. Voor 70 Dirham per persoon kunnen we hier ook eten. Ons wordt een geweldig lekkere tajine voorgeschoteld van mals lamsvlees met daarop een omelet met koriander. Wauw, dat is genieten. Omdat de woestijn in januari nog erg afkoelt, staat er op tafel een straalkachel. Op het bed leggen we vier dekens, maar dat weerhoudt Floor er niet van om al kleren voor de zekerheid ook maar aan te houden.

02 – Marokko | Marrakesh

Vandaag hebben we een missie: het huren van een auto. We openen de deur van onze Riad en komen terecht in het doolhof bij daglicht. Rechtdoor, onder een boog door, rechtsaf, linksaf. Dan weer terug, want deze steeg loopt dood. Rechts houdend komen we uit op een smalle straat waar de eerste handel al wordt gedreven. De groente en het fruit ligt opgestapeld en het eerste schaap is geslacht. We slaan linksaf en komen uit op de Rue Sidi el Yamani, die we volgen naar de Avenue Mohammed V. Dit is de hoofdroute die de oude met de nieuwe stad verbindt. Gueliz is de wijk waar we moeten zijn voor de autoverhuurbedrijven. Het is nog best rustig op straat. We lopen door de oude stadsmuur en na ca. 2 ½ kilometer zien we het kantoor van Avis. Met geen mogelijkheid krijgen we daar een auto mee zonder eigen creditcard. Dat we een creditcard van iemand hebben geleend maakt geen verschil. Het huren van een auto is alleen mogelijk met een creditcard op eigen naam. Bij Hertz zijn alle auto’s verhuurd. Iets verderop komen we Budget tegen. We vertellen de vriendelijke mevrouw eerlijk wat er aan de hand is. Gelukkig heeft zij er geen problemen mee, want we kunnen ons tenslotte legitimeren met een geldig paspoort. Bij Budget huren we per morgen een auto voor 7 dagen voor € 285,-. We zijn opgelucht dat we dit nu hebben geregeld en nemen ons voor om de volgende keer niet zo eigenwijs te zijn. Een eigen creditcard is gewoon verdomd handig om bij je te hebben. Maar goed, liever eigenwijs dan naïef. Vandaag staat de zon te stralen tegen een half bewolkte hemel. Het is aangenaam warm en het zonnetje geeft een heerlijk vakantiegevoel, wat nog eens wordt versterkt door de palmbomen langs de weg en de terracotta kleur van de gebouwen in Gueliz. Ondanks de buitentemperatuur van 9 graden zitten de koffieterrassen vol mensen. Mannen vooral.

De medina is het oudste gedeelte van Marrakesh. Hotels, kantoren en andere (moderne) bouwwerken worden geweerd uit de Medina, maar worden geconcentreerd in de nieuwe wijken zoals Gueliz en Hivernage. Het oude centrum, rond het Djemaa el Fna plein is hierdoor goed bewaard gebleven. Medina betekent in het Arabisch stad en wordt omringd door stadsmuren. We moeten dan ook een stadspoort door voor we kunnen verdwalen. We worden direct opgeslokt door de mensenmassa. De ene deel is op zoek naar iets en het andere deel verkoopt weer iets. Op straatniveau hebben de shopjes en werkplaatsen hun pui geopend. Een deel van de handel is op straat gezet, wat de toch al smalle steeg nog veel smaller maakt. Door de zware regenval van de dag er voor, is wat overblijft ook een lekkere ranzige soep. Het is zeker niet alleen modder wat er in zit. Diep in de medina zien we een terras op een strategische plek. Met een kopje muntthee en een ‘café au lait’ is het weer prettig mensen kijken. Er passeren afgeladen karren die worden voortgetrokken door ezels, scooters passeren op gewaagde snelheid en zonder ook maar even in te houden; rakelings langs de overige aanwezigen. Het schoeisel van is gevarieerd, maar pantoffels en slippers met sokken aan zijn favoriet.

Regelmatig wordt ons de weg gewezen naar iets naar waar wij helemaal niet naar op zoek zijn. Een truc om ongevraagd, maar wel betaald de gids uit te hangen. Zo komen we, ver van alle normale toeristendingen, heel toevallig meerdere keren dezelfde hele vriendelijke jonge kerel tegen. Hij spreekt goed Engels en beweert zijn kleine broertjes te gaan ophalen bij hun moeder. Nee, hij wil echt helemaal niets van ons, maar levert ons wel heel toevallig en geraffineerd af bij de leerlooierijen aan de meest oostelijke zijde van de medina. Daar staat ook heel toevallig een kennis te wachten om ons op sleeptouw te nemen. We weten natuurlijk best hoe laat het is, maar soms mag het en kan het eigenlijk ook niet anders. De leerlooierijen zijn een verzameling van honderden betonnen baden vol water, duivenpoep, urine en chemicaliën. Hierin worden de ‘rauwe’ huiden van geiten, schapen en koeien omgezet in kwaliteitsleer. Het is smerig, zwaar en ongezond werkt. We kunnen oost niet voorstellen hoe je hier je werk kunt doen in de zomerhitte van soms wel 45 graden. Het moet hier dan ook onvoorstelbaar meuren. Voor deze verkenning onder begeleiding betalen we 100 Dirham. Dit hoge bedrag vinden we nu prima, omdat we uitgebreid foto’s hebben mogen maken van de mensen die er aan het werk zijn. Onze eerste ‘gids’ krijgt niets, want hij heeft ook niets gedaan. Helaas kan hij dat niet waarderen.

Op een pleintje dat we vast niet meer kunnen terugvinden, staat een terras voor een hokje waar tajines en kebab klaarliggen. De tajines zijn gemaakt door de moeder. We gaan voor de tajine met pruimen, amandelen en sesamzaadjes, en een couscous met bloemkool en een kruidenmix van komijn. Op straat verkoopt een man stenen. Plotseling verschuift hij zijn hele handel een meter naar links. Er komt een kar vol sinaasappelen langs. Dan weer een door een ezel voortgetrokken kar vol koekjes. Af en toe passeert er een koets met locals: de taxi in de medina. We dwalen via het Koninklijke paleis, waar tientallen ooievaars nestelen op de brede muren, over de kruidenmarkt, weer langzaam terug naar Djemaa el Fna. Met het ondergaan van de zon, neemt het spektakel daar toe. Verspreid over het grote plein staan slangenbezweerders, loopt er een aangeklede aap rond die achterwaartse salto’s maakt, wordt er getrommeld, staan er verhalenvertellers die een grote massa toehoorders om zich heen verzamelen of wordt er gewoon wat gehangen. Het leuke is dat het vermaak vooral bedoeld is voor de Marokkanen zelf. Wij, de toeristen, zijn de buitenstaanders, de indringers. Vanuit de richting van de 69 meter hoge minaret van de Koutoubia moskee worden de voedselkarren in hoog tempo door hun eigenaren voortgetrokken, om in sneltreinvaart te worden opgezet.

Het plein is een totale kakofonie van geluid, geuren en gebeurtenissen die dwars door elkaar heen plaatsvinden. De relatieve rust van de ‘souk’ is daardoor even een verademing. Al dwalend komen we langs de apothekers souk, waar niet alleen kruiden zijn te krijgen. Naast slangen en krokodillen huiden, zien we zebra- , antilopen en luipaarden vellen hangen. Ook zien we gedroogde vogels en hagedissen liggen. De hoeveelheid voorspelt weinig goeds voor wat er nog over is aan flora en fauna in Afrika. In de overvolle Rue Bab Agnaou kopen we een rijkelijk met sappig kebab gevuld brood. Uit de hand eten kijken we naar de mensen, naar het leven dat zij leven en naar het vermaak door wie zij zich laten vermaken.