4.09 – China | Desolatie en gorigheid

Het busstation ligt tegenover het hotel. Daar vertrekt om 9.00 uur de bus naar Golmud. Voor 78 RMB per persoon kopen we een kaartje aan het loket. Op het kaartjes staat het nummer van de bus, wat correspondeert met het nummer dat op de bus staat. Het busstation is al best een belevenis. Dunhuang is een oude handelsplaats aan de Zijderoute en ligt op een kruispunt van volkeren. Dit is wel te zien aan de karaktervolle koppen van de islamitische Oeigoeren en de boeddhistische Tibetanen. Ze dragen enorme balen bagage en/of handelswaar bij zich. Het resultaat van een ‘weekend winkelen’ in de handelsplaats Dunhuang. De mannen zitten in alle rust te wachten en te roken in een kenmerkende houding: diep gehurkt, met de billen bijna tegen de grond en de armen leunend op de knieën.

De busreis naar het 525 kilometer zuidelijker gelegen Golmud duurt 9 uur. De eerste tientallen kilometer vanuit Dunhuang rijden we parallel aan de zandduinen. Deze gaan langzaam maar zeker over in de bergen,  met in de dalen hier en daar een verdwaalde zandduin. Er is geen vegetatie dat het zicht belemmert op het ruige en kale landschap. Op 2.800 meter hoogte breken we door de bergen en rijden we door een desolate leegte. In de platheid groeit af en toe een plukje gras tussen de kiezels, het stof en het gruis. De kleurloosheid van het land wordt verstrekt door de grauwe wolken die met hoge snelheid langs de hemel glijden. Regelmatig passeren we een ploeg wegwerkers (of misschien toch dwangarbeiders), gekleed in oranje overalls en gewapend met bezems. Zij zijn belast met het zandvrij houden van deze vitale noordelijke toegangsweg naar Tibet. Aan de zuidelijke horizon zien we de eerste witte toppen van de Himalaya.

Halverwege het niets maken we een stop in een afschuwelijke nederzetting. Een plaspauze van 30 minuten. We zijn inmiddels wel wat gewend wat betreft hygiëne, maar dit gaat echt wat ver. Waar de Mongolen gaten graven van 2-3 meter diep, maken de Chinezen een verhoging boven het maaiveld. Je hangt 50 centimeter boven een antiperistaltische impuls opwekkende berg stront, pis, maandverband en ander  ellende. Jeroen lukte het niet om het hok überhaupt te naderen. Voor Floor was de nood dermate hoog dat er geen andere optie was. De toiletten zijn van die Franse plees, zonder scheidingswandjes, maar wel met enorme kakranden en nog goorder: rochels voor de plee. De vrouwen zitten gerust tien minuten op de plee voor zich uit te rochelen. Floor is gechoqueerd. Hoe netter de dame, hoe viezer het pleegebruik. Een broeinest voor ziektes. Nu begrijpen we waarvoor we vaccinaties hebben en waarom mensen sterven door onhygiënische omstandigheden. Zich niet bewust van het risico, spelen kinderen hun onschuldige spel tussen alle viezigheid. Grenzend aan de buitenplee liggen de keukens van de restaurantjes. Lekker koken naast de stront.

Het meest heftige zijn de zoutgebieden, waar we circa 100 kilometer voor Golmud door heen rijden. De hoogvlakte is hier ook nog steeds plat en indrukwekkend desolaat. De aarde is dood en wit. Alles staat hier in het teken van de zoutwinning. Het landschap is volledig kapot gemaakt. Her en daar staan fabrieken die het gewonnen zout verwerken tot welk product dan ook. Grote hopen wit zout en grote kuilen in een dood landschap.  Daartussen ligt een dorpje waarvan de bewoners hun dag vullen met  het handmatig afgraven van het zout. De mannen lopen met loodzware zakken vol zout door de grauwe straten. Er is geen plukje groen te ontdekken om het nog enigszins leefbaar te houden. Hier moeten leven kan niet anders dan afschuwelijk zijn. Wij zien dat alles comfortabel door het raam van de bus, waarin een uiterst gewelddadige Chinese versie van Rambo wordt vertoond. Dat maakt het contrast en de indruk die dit op ons achterlaat alleen maar groter.

Leave a Reply