4.06 – China | De zandduinen van Dunhuang

De Lonely Planet blijkt erg handig om betaalbare accommodatie te vinden. Voor 60 RMB bemachtigen we een eigen kamer in het Feitian Binguan. Het Feitian is een keten met vestigingen langs de gehele zijderoute. Genietend van een koude píji? (bier) op het terras voor het hotel, ontmoeten we een Nederlands stel uit Hengelo en een Australische vrouw. Van hen komen we te weten hoe we de belachelijke toegangsprijs van 80 RMB voor de zandduinen kunnen omzeilen. Laat in de middag huren we fietsen voor 1 RMB per fiets. Over een brede en legen boulevard fietsen we in de richten van de 100 meter hoge zandduinen, die zich majestueus achter de stad manifesteren. De zandduinen van Dunhuang vormen de oostelijke rand van de uitgestrekte Taklamakan woestijn. De officiële toegang tot de duinen bestaat uit een enorme poort. Daar moet je betalen, tenzij je zo eigenwijs bent om het hek te volgen.

We rijden langs kleine lemen boerderijen over smalle paden. Dan gaan we weer links en dan weer rechts. We beginnen ons een beetje zorgen te maken over de nijverheid van de Chinezen, als we na een kleine 2 kilometer het einde van het hek bereiken. Voor hetzelfde geld hadden de Chinezen de hele woestijn van een hek voorzien. Ze hebben tenslotte al eens eerder een duizenden kilometers lange muur gebouwd. Maar wat is het hier afschuwelijk heet. Zo voelt het dus in een echte woestijn. Onze thermometer laat zien dat het 41 graden in de schaduw is. Noodgedwongen wachten we daarom tot de zon ondergaat. Dat is overigen vrij laat op de avond, want er is maar één tijd die in China geldt en dat is ‘Beijing tijd’. In het 2.500 kilometer oostelijker gelegen Beijing is de zon al op een ‘normale’ tijd onder gegaan als die in Dunhuang nog ruim boven de westelijke horizon staat.

Het beklimmen van een hoge zandduin is niet handig, wanneer je vlak daarvoor drie halve liters píji? hebt gedronken. Het afzien wordt verstrekt doordat we de fout maken de zandduin niet via de kam, maar via de steile zijkant te beklimmen; twee stappen vooruit en weer één wegzakkend in het poederzand. Meer dood dan levend bereiken we echter wel de top, waar we worden beloond met een weids panorama. Vanaf de top van de duin kijken we uit over het pretpark, waar de entree voor moet worden betaald. Het ‘pretpark’ wordt gevormd door een natuurlijk meertje dat midden tussen de zandduinen ligt. Het is wel bijzonder, maar om daar nou 80 RMB voor te betalen. Daarvoor mag je niet eens de hoge zandduin beklimmen (door middel van een trap), daar weer afglijden en zelfs een rondje op een kameel rijden. Nee, daar moet je ook nog eens extra voor betalen. Wauw! De Chinezen houden duidelijk van een ander soort toerisme dan (een deel van) de individuele westerling. De Chinees denkt: massa, dus goed! En ze zijn bereidt daar grof voor te betalen. Tussen de zandduinen paraderen een tiental geüniformeerde Chinezen om wan-betalende bezoekers tegen te gaan. Dit duidelijk met wisselend succes.

Het allermooiste is de terugkeer naar de vast grond. Met het zand in alle kieren van de onderbroek en tussen alle tenen en tanden, vliegen en glijden we met grote sprongen naar beneden.

Leave a Reply