Cuba | Land van de contrasten

Share on facebook
Share on google
Share on twitter
Share on linkedin
Share on pinterest
Ossenkar Cuba

Cuba | Land van de contrasten

Fietsen in Cuba stelt ons voor een aantal uitdagingen. Idealiter stappen we elke ochtend zo vroeg mogelijk op de fiets. Als het buiten nog fris en koel is. Helaas zijn de tropische dagen maar kort. Pas om zeven uur is het licht en vaak kunnen we niet eerder dan half acht of acht uur ontbijten. Rond het middaguur is de tropische hitte als een verstikkende deken neergedaald en zijn we toe aan een pauze. Het liefste zouden we nu op een terras afkoelen met een ijskoud drankje. Maar er zijn geen terrasjes. Een siësta aan een klein riviertje klinkt idyllisch, maar dat is het door de vele muggen niet. Winkels zijn er niet. Kraampjes langs de weg met fruit of koele drankjes ontbreken. Drinkwater is bijna nergens te krijgen en daarom desinfecteren we het kraanwater. De chloorsmaak verdrijven we met poeder dat smaakt naar meloen, sinaasappel of citroen.

Iets te vinden om te eten is een andere uitdaging. We zien mensen lopen met grote roze taarten. Ergens moet een bakker zijn. Wij lusten wel een vers gebakken broodje of een zoet gebakje. We zien een luik waaruit de taarten komen. Broodjes liggen er verleidelijk op de plank. De Unidad locaties lijken winkels, maar dat zijn het niet. Geld is hier waardeloos, bonnen zijn hier nodig. Vandaag zijn het roze taarten, morgen misschien wel appeltaart die op de bon zijn te krijgen. Wij zijn geen Cubanen en krijgen niets.

Het land wordt bewerkt met ossenkracht. Foto: Jeroen Kleiberg

Met een lege maag moeten wij door. Gelukkig passeren we af en toe een dorp met een cafetaria. Niet meer dan een houten keet waar wat broodjes, pizza’s, koffie, koekjes en refresco’s (aanmaaklimonade) te krijgen zijn. De prijzen staan hier aangegeven in pesos, het betaalmiddel van de Cubanen. Daar gaan er 25 van in een CUC, de munt voor toeristen en die gelijk staat aan de dollar. In peso’s is alles goedkoop. Voor 1 peso drinken we koffie, voor 8 peso eten we een broodje met ham en kaas.

Wij zijn geen Cubanen en krijgen niets. Met een lege maag moeten wij door

Cuba was de laatste kolonie van de Spanjaarden, die met hulp van de Amerikanen werden verdreven. In plaats van vrijheid voor de Cubanen, kregen de maffia en het grootbedrijf het er voor het zeggen. In ruil voor mooie glimmende auto’s verdwenen de opbrengsten van het land in de zakken van de buitenlanders. De Spanjaarden waren dan wel verdwenen, het land was nog steeds niet van de mensen. Batista was de marionet van de Amerikanen die met angst en geweld het land regeerde. Fidel Castro beloofde een revolutie en kreeg dat ook voor elkaar. Het land weer van de mensen, de Amerikanen er uit. Moordaanslagen en invasies ten spijt, het lukte de Amerikanen niet om Fidel te onttronen. Cuba had een beschermer nodig en vond die in de Sovjet-Unie. Zo werd Cuba communistisch, kwamen er Lada’s in het straatbeeld, werden er kernraketten geplaatst en ging de wereld bijna ten onder aan een kernoorlog.

Op de veranda van de houten huizen staan altijd twee schommelstoelen. Foto: Jeroen Kleiberg

De wereld draaide door. De Sovjet-Unie verdween. De hele wereld werd ‘made in China’. Behalve in Cuba. Hier bleef alles bij het oude. Hierdoor is Cuba volstrekt anders dan andere landen die we kennen. Het Cubaanse landschap is weinig indrukwekkend. De door de reisgidsen bejubelde plekken vinden wij ‘wel aardig’. Cuba moet het hebben van de vele details. Van het kleinschalige landschap vol kleine gekleurde houten huisjes. Met op de veranda twee schommelstoelen in dezelfde kleur als de kozijnen: roze, blauw of groen. Schotelantennes ontbreken.

Tussen het groen scharrelen de kippen, kalkoenen en varkens. De honden liggen loom op straat te slapen. Af en toe blaffend zonder overeind te komen. Cuba moet het hebben van de goedlachse mensen. Vaak te dik en in gekleurde kleding. Bij de vrouwen hoe strakker hoe beter: dikke billen mag je laten zien. Cuba moet het hebben van de rustige wegen met het wagenpark uit de jaren vijftig. De weg gedeeld met paard en wagen en karren getrokken door een ossenpaar.

Cuba moet het hebben van de goedlachse mensen. Vaak te dik en in gekleurde kleding. Bij de vrouwen hoe strakker hoe beter: dikke billen mag je laten zien

Op weg naar Viñales wordt de aarde rood. Op het land wordt vooral tabak verbouwd. Mooie grote groene struiken in rechte rijen. Tractoren zouden de aarde te veel samendrukken, daarom wordt hier alleen met ossenkracht gewerkt. Twee aan twee ploegen slome ossen de rode aarde mul. Tabak, suikerriet, rijst en koffie zijn de voornaamste producten die het land produceert. Negentig procent van de tabaksopbrengst gaat naar de corporatie. In handen van de staat en een monopolie. De resterende tien procent is voor de mensen. Voor eigen gebruik of voor verkoop aan het toenemend aantal toeristen. Groenten en fruit zijn voor eigen gebruik.

Tabaksplantage in de omgeving van Viñales. Foto: Jeroen Kleiberg

Twee dagen lang zwoegen we door de Cordillera de Guaniguanico, de groene bergen die het centrale deel van westelijk Cuba vormen. Met een maximale hoogte van 524 meter breekt dit gebergte geen records, maar hier fietsen is toch een hele uitdaging. De beperkte hoogte van de Cordillera wordt ruimschoots gecompenseerd doordat we via de Carretera Central de Montaña over de centrale bergkam worden geleid. Komend van zeeniveau, wordt de beperkte hoogte ruimschoots gecompenseerd door hellingen van gemiddeld 11/12 procent met uitschieters naar 16 procent en een pittige tegenwind.

Het verkeer op de rustige rode wegen. Foto: Jeroen Kleiberg

Gieren cirkelen laag hun rondjes, hopend dat we dood van onze fiets vallen. Ander verkeer is er bijna niet. De weg slingert omhoog en weer naar beneden door een groen landschap van tropische vegetatie. Tegen de steile hellingen staan de palmbomen met hun witte stammen en groene pluimen te zwaaien in de wind. Op sommige plekken zien we de zee aan zowel de noord- als de zuidkust schitteren. Het is de verzuurde benen meer dan waard.

Gieren cirkelen laag hun rondjes, hopend dat we dood van onze fiets vallen

De rustige weg voert ons naar Soroa, waar we omringd door tropische vegetatie bijkomen in de tuin van een kleine casa. Onrijpe trossen bananen, sinaasappelen en limoenen hangen aan de bomen. De orchideeën lokken kolibries die stil in de lucht hangen en hun lange snavel gebruiken om de nectar te bereiken. Onzichtbare vogels kwetteren de hele dag door. Af en toe vindt de hond het een goed idee om hard te gaan blaffen, waarna de haan laat weten dat hij er ook nog is. Kippen scharrelen tussen de vegetatie. Hagedissen schieten voorbij. Stemmen verraden de aanwezigheid van mensen, maar door de dichte vegetatie blijven zij onzichtbaar.

Fietsen door de Cubaanse bergen. Foto: Jeroen Kleiberg

In Soroa worden wij verwend met overdaad. Wat een contrast met de armoede die we onderweg zijn tegengekomen. Hoe kan het dat we in onze casa kunnen genieten van een ontbijt dat de hele tafel vult? Hoe kan het dat we ’s avonds uit verschillende gerechten kunnen kiezen? Waar komt al dit eten vandaan, terwijl er geen winkels lijken te zijn. Hoe kan het dat wij zo veel krijgen, terwijl de Cubanen het moeten doen met tekorten?

Share on facebook
Facebook
Share on google
Google+
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn
Share on pinterest
Pinterest

Geef een reactie

  Subscribe  
Abonneren op

Nieuwste verhalen